Bitte warten
Bitte installieren Sie den Flash Player, wenn kein E-Book erscheint.
Hausarbeit, 2007, 49 Seiten
Autor: Dr. Ir. Aad Vijverberg
Fach: Agrarwissenschaften
Details
Jahr: 2007
Seiten: 49
Sprache: Niederländisch
ISBN (E-Book): 978-3-640-33263-2
ISBN (Buch): 978-3-640-33262-5
Andere Nutzer haben sich auch für folgende Titel interessiert:
Zusammenfassung / Abstract
In dit essay zal ik proberen mij zo helder mogelijk uit te drukken. Ik begin dit essay met een voorbeeld hoe (veel) ontwikkelingen in de landbouw verlopen. De drijvende factoren achter die ontwikkeling zijn zuinigheid, opbrengst en arbeidsomstandigheden.
Volltext (computergeneriert)
Landbouw,
Duurzaamheid
en
Biologische
bestrijding
A.J. Vijverberg
2
Filosofische waarheid is een in
oppositie verwikkelde waarheid.
Vandaar dat het onmogelijk
is een filosoof te begrijpen zonder hem te vragen: In welk conflict ben je verwikkeld? Waar
wil je vanaf en waar wil je naartoe?1
1 Boukema, H., 2006. (On)waarheid in oppositie. Frege, Thomas en het neothomisme. Annalen van het
Thijmgenootschap 94 (3): 194-229.
3
over
Landbouw
Duurzaamheid
en
Biologische bestrijding
Essay aangeboden aan
Artemis
bij gelegenheid
van het afscheid van die vereniging
A.J. Vijverberg
2007
4
Inhoud
Inhoud 4
Woorden: voertuigen van onze gedachten 5
Een voorbeeld van ontwikkeling: het glasgebruik 8
Een voorbeeld van wetenschappelijk onderzoek: de verwoestijning in de kas 11
Landbouw 14
Wat betekent duurzaamheid voor ons? 21
Duurzame landbouw 23
Biologische landbouw 26
Geschiedenis van de gewasbescherming 29
Lastenverzwaring 34
Taak van het onderzoek 37
Mogelijkheden biologische bestrijding 39
Perspectief biologische plaagbestrijding 42
De rol van de voorlichting 43
Besluit 46
Komkommerkas met komkommers(achter) en opkweek van planten
(voor); Wiersma, 1918. De opkweek is tot 1960 een normale bezig-
heid op het productiebedrijf. Daarna is deze activiteit `geëxterna-
liseerd: overgenomen door gespecialiseerde bedrijven.
5
Woorden: voertuigen van onze gedachten
In woorden formuleren wij onze gedachten. Woorden zijn instrumenten om onze ideeën vorm
te geven. Het zijn als het ware de voertuigen waarmee wij onze gedachten aan anderen
overbrengen. Belangrijk bij het communiceren is dat wij een taal gebruiken, die de ander
begrijpt. Spreker en luisteraar, maar ook schrijver en lezer moeten in één taal communiceren.
Eenduidigheid in taalgebruik is echter allesbehalve een automatisme! Ik illustreer dit aan de
hand van een paar voorbeelden.
De dikke van Dale (199913) geeft als omschrijving voor natuur: `toestand waarin iets bestaat
voordat men er opzettelijk iets aan heeft veranderd′. Uitgaande van deze omschrijving is het
duidelijk dat het Groene Hart géén natuurgebied is maar een cultuurlandschap. Het is
gevormd in eeuwen van landbouwbeoefening en drooglegging. `Weidevogels′ als groepering
vormen een bekend kenmerk van het Groene Hart. Het zijn vogels die aan de weide, aan de
landbouw verbonden zijn. Weidevogels zijn, als de term juist gebruikt wordt, cultuurvolgers;
bewoners van een (steeds veranderend) cultuurlandschap en
dus
een groep die steeds
verandert van samenstelling.2 Toch duiden velen het Groene Hart aan als een natuurgebied.
`Natuurgebieden aanleggen′ is uitgaande van de omschrijving in de dikke van Dale een
`contradictio in terminus′. Filosofen spreken in dit verband wel over de `uitvinding van
natuurontwikkeling′.3
Om politieke redenen (natuur is `in′ en daarvoor is
dus
geld beschikbaar) wordt dit begrip
oneigenlijk gebruikt. Misschien duidt het woordgebruik ook wel op nostalgie. Zoals het
cultuurlandschap er vroeger uitzag was het goed. Dat was `natuur′. Bijna honderd jaar
geleden schreven twee landbouwkundigen in een beschrijving van de akkerbouw in
Nederland het volgende over de veranderingen in het cultuurlandschap:4
Wie b.v. na dertig jaren in Amerika te zijn geweest, heden [1913] in den Gelderschen Achterhoek terugkeert,
zal nauwelijks wanen zich op den bodem te bevinden waar hij zijne jonge jaren sleet, althans als hij de streek
met landbouwersoogen beziet. Het landbouwbeeld is daar een geheel ander geworden.
2 Het cultuurlandschap is in onze maatschappij ook een consumptiegoed. Veranderingen in de productiewijze
die invloed hebben op bedoelde cultuurvolgers mogen alleen doorgevoerd worden in overleg met de direct
betrokkenen (overheid, natuurbeschermingsorganisaties).
3 Drenthen, M., 1998. Maakbare natuur, waanzinnige oase of wonderlijke wereld? Annalen van het
Thijmgenootschap 86 (3): 41-46.
4 Mayer Gmelin, H.K.H.A. & Th. J. Mansholt, 1913. Akker- en weidebouw. In: Hoek, P. van e.a. De
Nederlandsche landbouw in het tijdvak 1813-1913. Gebr. Langenhuyzen, ′s-Gravenhage: 243-293.
6
Niet aldus in de Betuwe en op de Utrechtsche kleigronden, waar bloeiende onkruidvelden nog heden ten dage
evenals honderd jaren geleden eene bejammerenswaardige kleurenpracht ten toon spreiden.
De `bejammerenswaardige kleurenpracht′ is het cultuurlandschap waar veelmensen naar
verlangen en die zij als natuur omschrijven! Ook het Achterhoekse landschap, zoals dat er in
1913 uitzag, de gemoderniseerde Achterhoek anno 1913 dus, wordt nu als natuur
omschreven. Misschien is natuur wel te omschrijven als `datgene wat de mensen zich uit hun
jeugd herinneren′. Een voorbeeld hiervan geeft Van Someren.5 Hij beschrijft in 1997 het in
1913 als gemoderniseerd omschreven landschap van de Achterhoek als `natuur′ met het
volgende beeld.
Vroeger had je bij voorbeeld een riviertje dat zich slingerend door de Achterhoek bewoog.
Toen kwam het waterschap en werd besloten dat riviertje recht te trekken.
Toen kwam het waterschap nog een keer en werd besloten weer slingers in het riviertje te leggen.
Wat is het verschil?
Vroeger slingerde dat riviertje omdat het riviertje dat wou [in de belevingswereld van Van Someren], nu
omdat het waterschap het wil.
Vergelijking van bovenstaande twee citaten, respectievelijk uit 1913 en 1997, illustreren de
nostalgie van de moderne mens. Het in de herinnering levende beeld van de landbouw wordt
als natuur omschreven. Historisch besef, mede opgedaan door de omschrijving uit 1913, leert
ons dat het hier, in de Achterhoek, om een `gemoderniseerd′ cultuurlandschap gaat.
In onze kring, in de gewasbescherming, zijn ook voorbeelden te vinden van oneigenlijk
gebruik van termen. Ik heb daar eerder op gewezen.6 Een voorbeeld van onjuist woordgebruik
in de gewasbescherming betreft het gebruik van de termen biologie en chemie. Hierbij
verengt men het begrip biologie tot de toepassing van biologische bestrijders en -biologische
middelen. Het begrip chemie wordt beperkt tot de toepassing van synthetisch organische
gewasbeschermingsmiddelen. Chemie is `verwerpelijk′. Veel biologie en weinig chemie
toepassen is dus het motto. Met zo′n attitude wordt gescoord. Als de mensheid erin geslaagd
is een zichzelf replicerende machine te bouwen (leven te maken in het laboratorium, een
kwestie van tijd dus) zal het duidelijk worden dat levende organismen gecompliceerde,
chemische constructies, chemische fabriekjes zijn. De tegenstelling biologie versus chemie,
die in de wetenschap niet bestaat, zal dan wellicht in de maatschappij verdwijnen. Recent
formuleerde een bioloog zijn ideeën als volgt:7
5 Someren, Koos van, 1997. Over maakbare natuur. NRC, 12 april. Zie ook Annalen van het Thijmgenootschap,
86-3 (1998):15-22.
6 Vijverberg, A.J., 2004. Toekomst biologische bestrijding. Gewasbescherming 35: 18-19.
7 Noteborn, M.H.M., 2005. Biomoleculaire dans van leven, ziekte en dood. Aanvaardingsrede Universiteit
Leiden.
7
Alle leven wordt gevormd door cellen. Cellen zijn ingewikkelde organismen of kleine fabriekjes boordevol
chemische processen en verbindingen. Cellen bestaan uit vele miljoenen biomoleculen.
Ik denk dat het voor het debat belangrijk is om begrippen goed te definiëren. Overheid,
bedrijven en maatschappelijke organisaties (ook Artemis) hebben de nijging om taal
verhullend te gebruiken. Men neigt ertoe ideeën achter woorden te verbergen. Ik denk dat de
maatschappij daarmee niet gediend is.
In dit essay zal ik proberen mij zo helder mogelijk uit te drukken.
Ik begin dit essay met een voorbeeld hoe (veel) ontwikkelingen in de landbouw verlopen. De
drijvende factoren achter die ontwikkeling zijn zuinigheid, opbrengst en
arbeidsomstandigheden.
Toen arbeid relatief goedkoop was en de gevaren van
bestrijdingsmiddelen voor de gezondheid amper
bekend waren, werd de techniek van het lijnspuiten
gehanteerd; ± 1950.8
8 Bieleman, J., 2000. Gewasbescherming. In: Techniek in Nederland in de twintigste eeuw . Historie der tech-
niek/ Walburg Pers, Zutphen III: 202-225.
8
Een voorbeeld van ontwikkeling: het glasgebruik
Het gebruik van glas is een goed voorbeeld om de ontwikkelingsgang in de tuinbouw (en
breder gezien in de landbouw) te illustreren. Het schietraam (de oudste vorm van glasgebruik
waarvan een goed plaatje bestaat) was een groot, log raam. Dit raam werd onder andere vóór
de druivenboom tegen de druivenmuur geplaatst om een vroegere oogst te verkrijgen.
Daarnaast deed het dienst als platglas. Het raam was onhandig zowel in de productie als in het
gebruik.
Schietramen geplaatst voor een druivenmuur (Woutersweg, ′s-Gravenzande) Het vele timmer- en schilderwerk
is aan de ramen af te lezen.Eén raam was door middel van drie stijlen onderverdeeld in vier rijtjes ruiten, in
totaal twintig stuks.Het plaatje is uit 1927. Het schietraam was toen al verleden tijd. De gaten in het glas laten
dit zien
9
.
Het raam maken was duur en omslachtig. Het werd, althans in het Westland, gemaakt van
Amerikaans grenenhout, de dorpel soms van eiken. Een timmerman maakte het raam
pasklaar, een schilder verfde het geheel en zette de ruitjes in stopverf. Rond 1890 kostte een
raam van 4 x 5½ voet (1.25 x 1.72 m) zes tot zeven en halve gulden per stuk10 (één gulden is
0.45). Het plaatsen en verplaatsen van zo′n raam was omslachtig. Er waren twee mensen
nodig om dit zware, grote raam op te pakken. De eenruiter was andere koek. Dit raam was de
helft kleiner (0.73 x 1.41 m; glasmaten, exclusief lijst) en bestond uit slechts één ruit. Het had
in het gebruik grote voordelen. Er was minder hout bij nodig en dus minder onderhoud. Het
werk van de timmerman was eenvoudiger geworden omdat er binnen de lijst maar één ruit
was. Het raam kon op de tuin in de lijst geschoven worden. Een schilder kwam er dus niet
meer aan te pas. Het raam werd behalve eenvoudiger ook goedkoper. Het grootste voordeel
van deze vernieuwing was de grotere lichttransmissie. En licht, dat wisten de mensen een
eeuw geleden ook al, is de motor van de plantengroei.
9 Muyzenberg, E.W.B. van den, 1980. A history of greenhouses. Institute for Agricultural Engineering, Wagen-
ingen: 414.
10 Barendse, J., 1951. Hollands tuin. De Westlandse tuin van vroeger en nu. Bond Westland, Naaldwijk: 137.
9
De overgang van het schietraam naar de eenruiter, nu ruim 1¼ eeuw geleden, is een duidelijk
voorbeeld van verduurzaming. De rug werd gespaard: P(eople); er was minder hout nodig:
P(lanet) en er groeide meer onder het glas: P(rofit). Ook toen zal er over deze vernieuwing
wel geklaagd zijn door vooral de schilder maar ook door de timmerman. Zij verloren immers
werk!
De eenruiter staat aan de basis van het warenhuis. Bij het warenhuis waren de eenruiters (met
lijst) omhoog gebracht. In het warenhuis konden hoogopgaande gewassen als tomaten geteeld
worden. Het werk kon in de kas, binnen, gedaan worden. De arbeidskosten waren lager en de
werkomstandigheden aangenamer.
Vereenvoudiging in de bouw (en dus goedkoper
bouwen) en een betere lichttransmissie (en dus
een hogere productie) zijn in de kassenbouw de
motoren van de ontwikkeling geweest. Bij het
Venlowarenhuis, dat oorspronkelijk
crisiswarenhuis heette11, werden de ruiten
ingeschoven in een stijl die aan twee kanten
Gestookt warenhuis waar de ramen vanaf
gebruikt werd. Dat betekende drie verbeteringen,
genomen zijn om de natuur te laten inwerken
drie vliegen in één klap. De bouw werd
(uitspoelen zout) Foto: W. van Soest.
goedkoper (minder hout nodig), de kieren tussen
de losse lijsten verdwenen (géén directe regenval meer in de kas, die ook beter gesloten was)
en als belangrijkste voordeel een betere lichttransmissie. Het was de uitwerking, de realisatie
van de gedachte van de Naaldwijkse tuinbouwconsulent Wiersma zoals deze dat in 1918
verwoordde:
Het licht is de bron van arbeidsvermogen voor onze planten12.
Vergrotingen van
de glasbreedte van 0.73 tot 1m en breder hadden alle hetzelfde effect: minder
materiaalgebruik, een betere lichttransmissie, een betere sluiting van de kas (minder
koudebruggen) en goedkoper.
11
Anonymus, 1954. Veenman′s Agrarische Winkler Prins, lemma warenhuis.
12 Wierma, K., 1918. Kassen en kassenbouw. Bootsma, ′s-Gravenhage: 11.
10
De ontwikkelingsgeschiedenis van de kas in weergegeven in de volgende figuur.13
Dit voorbeeld dat met vele andere aangevuld kan worden maakt duidelijk dat de toepassing
van nieuwe vindingen in de landbouw vaak berust op twee peilers: een beter technisch
resultaat en een beperking van de kosten.14 Bij de biologische bestrijding komt dit aspect
opnieuw aan de orde.
13
Vijverberg
, A.J., 1996. Glastuinbouw in ontwikkeling. Beschouwingen over de sector en de beïnvloeding
ervan door de wetenschap. Eburon, Delft: 56.
14 Vijverberg, A.J., 1996, t.a.p.: hoofdstuk 3.
11
Een voorbeeld van wetenschappelijk onderzoek: de verwoestijning in de kas
Een van de problemen waar de glastuinbouw in de eerste drie decennia van de twintigste
eeuw mee geconfronteerd werd was een ernstige groeistagnatie in kassen die lange tijd met
glas bedekt waren. Grond die lange tijd met glas bedekt was om-
schreef de praktijk als `onnatuurlijk dood.′ Bekend was dat dit
probleem minder ernstig was op opdrachtige gronden. De weten-
schappelijke verklaring, beschreven door Wiersma, van dit
verschijnsel was dat de colloïden (deeltjes <10-6m) te sterk uit-
gedroogd waren om snel water op te nemen. De praktijk ging dit
verschijnsel te lijf door gedurende het winterhalfjaar de ramen van
het warenhuis af te nemen. In kassen met vast glas werd in het win-
K. Wiersma,
Rijkstuinbouwleeraar voor
terhalfjaar de kas (met de kruiwagen) volgereden met sneeuw. Een
Zuid-Holland: Het licht is
de bron van
andere methode was ook met de kruiwagen de kasgrond
arbeidsvermogen voor
onze gewassen.
vervangen door grond van buiten.
Bekend was dat de problemen van de `onnatuurlijk dode′ kasgrond op opdrachtige gronden
minder ernstig waren dan op zandgronden. Op basis van deze kennis beschrijft Wiersma een
methode om met een stelsel van draineerbuizen de ondergrond nat te maken en daardoor het
opdrachtige karakter van de grond te versterken. Wiersma schrijft hierover:15
Op zand-, zavel- en zelfs op vrij zware kleigronden begint men in verschillende
soorten kassen deze wijze [van infiltratie via drainbuizen] meer en meer toe te passen
en vrijwel algemeen is men er uiterst voldaan over.
Ir J.M. Riemens, directeur
proeftuin Naaldwijk, 1924-
1953.
15 Wiersma, 1918 t.a.p.: 53.
12
In het begin van de jaren dertig bleek dat het probleem van de `onnatuurlijk dode grond′
veroorzaakt te worden te worden door zoutophoping in de bovengrond.16 Het systeem van
infiltratie in de ondergrond diende vervangen te worden door afvoer van water (met de
opgeloste zouten) uit de ondergrond (echte drainage).
Deze ontdekking, de ontdekking dat in een kas eigenlijk hetzelfde plaats vond als in een
woestijn (verdamping van water aan het oppervlak en daarmee concentratie van zout aan het
oppervlak) is van wezenlijke betekenis geweest voor de glastuinbouw. De ontwikkeling van
de kas met het vaste kasdek, de Venlokas, was in West-Nederland niet mogelijk zonder het
probleem van de verzilting opgelost te hebben. De eerste Venlokas is gebouwd in Limburg
aan het eind van de jaren twintig in de vorige eeuw.17 Omdat in Limburg de glastuinbouw
plaats vond op diep ontwaterende gronden speelde het probleem van de verzilting, van de
`woestijnvorming′ in de kas niet. Het idee van Wiersma uit 1918 werd in Limburg, tien jaar
na de publicatie ervan, gerealiseerd. Dat idee formuleerde hij in 1918 als volgt:18
Construeert men het model warenhuis als vaste kas, dan kan de bouw
goedkooper zijn, daar men de houten lijsten nu door een roe kan
vervangen en dus besparing van materiaal en werkloon krijgt. ... De
kas wordt door het aanbrengen van vaste roeden sterker en, omdat er
veel minder kieren zijn, warmer. ... De grootste fout van het
warenhuis is echter m.i. het tochten en lekken, en ik geloof, dat alle
kweekers het met mij eens zijn, dat juist daarin vaak de bron van
ziekte zit. Hoe menige plant is op de lekplaats niet weggevallen,
nadat ze soms eerst een ander had aangestoken. Door deze oorzaken
is dan ook het warenhuis als stookkas minder geschikt en zoo heeft
men ook in dit opzicht met de vaste kas meer vrijheid van beweging.
Neerzetveiling Westerlee, 1963. De tuinder voerde de producten aan, deze werden op kwaliteit gekeurd en
vervolgens door de teler neergezet naar kwaliteit en sortering (grootte). Tomaten vormden een blokproduct.
De producten werden niet op naam verkocht maar op klasse (kwaliteit en grootte). Indien een tuinder een
product aanvoerde dat beter was dan de gemiddelde kwaliteit van dat blok leverde dat géén individueel
voordeel op.
16 Anonymus, 1949. 25 Jaar tuinbouw onderwijs voorlichting onderzoek in het Zuid-Hollands Glasdistrict.
Jubileumboek ir, J.M. Riemens. Hafkamp, Amsterdam.
17 Gerritsen, J.D. e.a.,1957. In welke richting zal de kassenbouw zich ontwikkelen? Mededelingen Directeur
Tuinbouw 20: 235-239.
18 Wiersma, 1918. t.a.p.: 69.
13
Druivenkwekerij gebr. Sohie, Hoeilaart, België. Sohie leerde het vak bij baron De Peuthy. De Nederlandse
telers hebben de glascultuur van druiven op dit bedrijf afgekeken. Het is misschien wel het meest wezenlijke van
de landbouw in onze landen: zien hoe het elders gaat, dit thuis toepassen en blijven verbeteren.
De welvaart van de ondernemers is aan het (driedubbele) woonhuis op de achtergrond af te lezen.
19
Advertentie uit `De R.K. boeren- en tuindersstand′; 18-11-1937. In 1937
was het dieptepunt van de crisis net voorbij.
35
30
25
20
Veilingomzet Bond
In 1935 was de veilingomzet iets meer dan de helft van 1931.
15
West- land 1930-
10
1945 x mln gld.
De crisis was heftiger, dieper, dan die rond 1880.
5
0′31 ′33 ′35 ′37 ′39 ′41 ′43 ′45
19 Michiels, A., 1978. 5000 Jaar druif, 100 jaar tafeldruif in Overijse. Gemeente Overijse.
14
Landbouw
Landbouw is een culturele activiteit. Een activiteit dus die menselijke inspanning vraagt.
Landbouw berust op twee peilers, op twee `kennisverschaffers′, nl.:
De ervaringskennis in de landbouw opgebouwd en:
De vruchten van de natuurwetenschap.
Tot 1850 was ervaringskennis veruit de belangrijkste kennisbron voor de land- en tuinbouw.
Ervaringskennis wordt vooral tussen generaties overgedragen: van vader op zoon.
Wetenschappelijke informatie wordt vooral binnen één generatie overgedragen. Hierbij spelen
onderwijs, studieclubs, media (vakbladen, radio, tv, internet) en toeleveranciers een
belangrijke rol.
Uit de volgende grafiek blijkt dat de opbrengst per oppervlakte eenheid in de periode van de
twee eeuwen, welke deze grafiek bestrijkt (1650-1850), nauwelijks gestegen is. Er is in deze
perioden sprake van opbrengstbeperkende factoren, die niet of nauwelijks te beïnvloeden
waren. De mineralenvoorziening van het gewas is daarvan waarschijnlijk de belangrijkste. De
eerste jaren dat de polder, die in onderstaande grafiek aan de orde komt, in gebruik was,
waren mineralen voldoende voorradig en was de oogstdepressie door bodemziekten
waarschijnlijk geringer dan in de latere jaren. Dit is een redelijke verklaring van de hogere
opbrengsten in de beginperiode.
Ontwikkeling in een bepaalde richting is pas mogelijk als het denkkader, de aangehangen
filosofie, dat mogelijk maakt. Als het idee over de oorzakelijke relatie tussen een ziekte en
een ziekteverwekker niet bestaat is de ontwikkeling van een middel voor de bestrijding van
een ziekte nauwelijks te verwachten (zie ook paragraaf over geschiedenis gewasbescherming).
Dat geldt ook voor bemesting. De kennis over het nut van bemesting voor de plantengroei is
van alle tijden. Plinius (23/24AC-79) schrijft hierover:20
Er zijn verschillende soorten mest. Het gebruik ervan stamt uit de oudheid...Deze uitvinding wordt
traditioneel toegeschreven aan de Griekse koning Augias.
Aan mest werd een grote waarde toegekend, hoewel aan de werkwijze van Augias, die de
mest door rivieren liet wegspoelen, is dat niet af te leiden. Slicher van Bath beschrijft een
geval uit de achttiende eeuw waarin aan de bemesting 2/3 deel van de totale bedrijfskosten
opgingen.21 Op de Brabantse zandgronden was de belangrijkste reden om vee te houden de
productie van mest. De grootte van de veestapel bepaalde, zeker op grotere afstand van de
20 Gelder, J. van e.a., 2004. Plinius: Naturalis historia. Atheneum-Polak & Van Gennip, Amsterdam: 390.
21 Slicher van Bath, B., 19676. De agrarische geschiedenis van West-Europa 500-1850. Aula 156: 279.
15
steden, de grootte van het akkerbouwgedeelte en de intensiteit van de bebouwing.22 Ik noem
hier de afstand van de steden omdat steden toen nog géén afval produceerden maar kostbare,
stedelijke compost, verrijkt met fecaliën van mens en dier en de as (mineralen) van de
haardvuren. Dichter bij de stad was dit kostbare product gemakkelijker en goedkoper te
bemachtigen dan op grote afstand van de stad.
Mest speelde ook in de ontwikkeling van de tuinbouw in het Westland een belangrijke rol.23
In ′s-Gravenzande, dat slecht door waterwegen ontsloten was, werd meer vee gehouden dan
elders in het Westland, waar de aanvoer van mest en stadsvuil gemakkelijker was.
Het inzicht, dat het belangrijkste effect van bemesting de mineralenvoorziening was, stamt
uit de eerste helft van de negentiende eeuw.
Opbrengstfluctuaties ten opzichte van de standaardopbrengst van granen, peulvruchten en fijne zaden en de
neerslag gedurende het winterseizoen in de polder Nieuw-Beijerland. Aanvankelijk waren de opbrengsten hoog
in deze nieuwe polder. De grafiek maakt duidelijk dat de opbrengst gedurende de beschouwde twee eeuwen
gemiddeld gelijk bleef.
(Bieleman, 1992).
22 Crijns, A.H. & F.W.J. Kriellaars, 1987. Het gemengde landbouwbedrijf op de zandgronden in Noord-Brabant
1800-1885. Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland LXXII: Hoofdstuk II.
23 Barendse t.a.p.: 19.
16
Toepassing van het inzicht dat de mineralenvoorziening voor de gewasgroei zo belangrijk is,
kwam pas in het laatste kwart van de negentiende eeuw op gang.
De prestaties, de mogelijkheden van de landbouw worden onder meer uitgedrukt in de
zaaizaadfactor. De zaaizaadfactor is de verhouding tussen de hoeveelheid zaaizaad en de
geoogste hoeveelheid. In de Middeleeuwen worden hiervoor bij de graanteelt verhoudingen
genoemd van 1:3 en 1:4. Bij deze teeltwijze moest dus één derde tot één vierde van de oogst
bewaard blijven als zaaizaad (aangenomen dat de bewaarverliezen
niet te groot waren). In de huidige teeltwijze moet men aan 1:50 of
aan een lagere verhouding denken. De wetenschappelijke
ontwikkeling van de landbouw heeft deze daling mogelijk
gemaakt.
De verwetenschappelijking van de landbouw is begonnen met een
synthese door de Duitse chemicus Wöhler (1800-1882) in 1828.
Hij synthetiseerde in het laboratorium een eenvoudige organische
stof, ureum, CO(NH2)2, uit een anorganische stof,
Friedrich Wöhler, belangrijke
exponent bij de modernisering
ammoniumcyanaat, NH4OCN. Zo′n synthese wekt nu geen
van de organische chemie en
daardoor bij de modernisering
verbazing meer op maar was toen een revolutie. Een organische
van de landbouw.
stof maken uit anorganische stof zonder de `vis vitalis′, de
`levenskracht′, toe te voegen, werd in die tijd voor onmogelijk gehouden. Organische stof, zo
dacht men toen, kan niet buiten het leven om gemaakt worden. De ontdekking van Wöhler
betekende het begin van de ontmythologisering van de biologie en in het bijzonder van de
landbouw.
De ontdekking van Wöhler, de demystificatie van de `vis vitalis′, opende de weg voor Justus
van Liebig een andere Duitse chemicus. Deze toonde aan (met veel overtuiging en op een
zwakke experimentele basis) dat de plant uitsluitend mineralen uit de bodem opneemt.24 In
landbouwkundige termen betekent dit dat organische stof (humus) moet mineraliseren voor
deze door de plant kan worden opgenomen. De tot dan toe overheersende gedachte in de
wetenschap was dat planten organische stof (humus) uit de grond opnamen. Dit idee was
ontwikkeld door de beroemde Duitse landbouwkundige Thaer (1752-1828) 25 en was tot
voorbij het midden van de negentiende eeuw de overheersende mening. De noodzakelijke
24 Vijverberg, A.J., 2001. Nieuwe mythen in de landbouw? Gewasbescherming 32: 1-5.
25 Thaer, A.D., 1809-1812. Grundsätze der rationellen Landwirtschaft. 1.- 4. Band. Berlin.
17
mineralisatie van organische stof betekende binnen de wetenschap definitief het einde van de
theorie over de `vis vitalis′.
Restanten van het mythische denken over de landbouw leven nog steeds voort. Ik vind dit
onder meer terug in de term `Gewasbeschermingsmiddelen van Natuurlijke Oorsprong′, de
naam van een van onze eigen werkgroepen. Enkele jaren geleden heb ik (bij CLM) aan een
discussie deelgenomen over de vraag of een stof, geëxtraheerd uit een plant, verschilt van
dezelfde, in de fabriek gesynthetiseerde stof. Mijn gesprekspartners waren van dit verschil
overtuigd. Ureum, uitgescheiden door een mens of dier, heeft in de biologische landbouw (en
had dit ook bij de boven genoemde discussie bij CLM) een andere gevoelswaarde, een andere
betekenis dan ureum, afkomstig uit de fabriek.26
De invloed van het proces van verwetenschappelijking op de landbouw kan moeilijk
overschat worden. Uit de voorgaande grafiek blijkt dat tussen 1600 en 1850 de opbrengst bij
graan min of meer gelijk gebleven is. In de periode 1850-1860, dat is nog vóór de
verwetenschappelijking van de landbouw, schommelde de tarweopbrengst rond 2250kg.ha-1.27
Een betere vruchtwisseling, waaronder de introductie van vlinderbloemige gewassen
(stikstofbinding) in het vruchtwisselingsschema en een betere onkruidbestrijding door de
introductie van rijenteelt zijn waarschijnlijk de belangrijkste factoren die deze
opbrengststijging veroorzaakt hebben. In 1950 schommelde de opbrengst van wintertarwe
rond 3.500 kg.ha-1.28 In de voorbije halve eeuw is deze opbrengst verdrievoudigd. De
opbrengstverhoging per oppervlakte eenheid is de belangrijkste bijdrage van de landbouw aan
de duurzaamheid van de maatschappij!
De invloed van de wetenschap op de landbouw (de verwetenschappelijking) komt nergens zo
sterk tot uiting als in de glastuinbouw. Eerst een paar cijfers over de tomatenteelt. In 1954
bedroeg de gemiddelde jaarproductie van tomaten bijna 7 kg.m-2.29 Nu kijkt niemand meer op
van 65 kg.m-2. Deze kwantitatieve groei in productie, een vertienvoudiging in een halve eeuw,
26 Dat één en dezelfde stof of product geheel verschillende gevoelswaarden kan hebben illustreer ik aan de
tomatenteelt. In mijn jeugd waren bonken (meerhokkige vruchten nu vleestomaten geheten) uitsluitend
toegelaten in het binnenlandse verkeer. Kriel tomaten (tomaten kleiner dan CC; nu cherry tomaten geheten)
waren in het handelsverkeer niet toegestaan. Men zou met enige overdrijving kunnen zeggen dat bonken en
kriel van toen nu twee topsegmenten van de tomatenmarkt vormen. Het verschijnsel dat één en dezelfde stof
voor verschillende mensen geheelverschillende betekenissen kan hebben is uitgewerkt in de existentiële
fenomelogie. Zie: W. Luypen, 1963. Existentiële fenomenologie. Aula: 68.
27 Bieleman, J., 2000. en Tarweteelt en tarweveredeling. In: Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. III.
Walburg Pers, Zutphen: 181-201.
28 Minderhoud, G., 19522. De Nederlandse landbouw. Bohn, Haarlem.
29 Anonymus, 1955. Teeltverloop en afzet van de belangrijkste producten in 1954. In: Jaarverslag 1954
Proefstation Naaldwijk: 17-20.
18
is gepaard gegaan met een kwalitatieve verbetering van het product.30 Bij de teelt van win-
tertarwe is de productie per oppervlakte eenheid in een halve eeuw verdrievoudigd. Is dit
verschil tussen enerzijds de tomatenteelt en anderzijds de tarweteelt te verklaren met de
verwetenschappelijking? Het antwoord op die vraag is een éénduidig ja.
In beide teelten heeft de veredeling, de verbetering van het genotype, een belangrijke rol
gespeeld. Schattingen vanuit de hoek van de akkerbouw duiden erop dat de verbetering van
het genotype de helft van de totale productiestijging veroorzaakt heeft.31 Voor de
glastuinbouw is dit percentage waarschijnlijk een overschatting. In de glastuinbouw heeft
waarschijnlijk de verbetering in het groeimilieu sinds 1950 een grotere rol gespeeld dan de
bijdrage van de veredeling. De volgende factoren hebben, naast de verbetering van het geno-
type, in belangrijke mate bijgedragen aan de productiestijging in de glastuinbouw.
De verbetering van het systeem van watergeven en bemesting
. Het systeem van water
toediening bestond rond 1950 uit het volvelds watergeven (blank zetten) of tussen rijen
liggende geulen vullen met water. Dit systeem is later vervangen door de regenleiding en
weer later door een systeem van druppelbevloeiing. Het systeem evolueerde van handbediend
tot volautomatisch, mede gestuurd door het klimaat. Frequentie en hoeveelheid van het water
zijn nu onbeperkt regelbaar. De toediening van water aan het wortelmilieu was niet langer
afhankelijk van de vraag of de tuinder tijd had of zijn kinderen een vrije woensdagmiddag
hadden maar van de vraag of het gewas er behoefte aan had. Een soortgelijke evolutie heeft
plaats gevonden bij de toediening van mineralen.
De positieve effecten van de introductie van de teelt op substraat zijn voor een zeer groot
gedeelte toe te schrijven aan de verbetering in de toediening met water en mineralen aan het
wortelmilieu.
30 Voor de relatie opbrengst en kwaliteit zie mijn artikel: Kwaliteit versus kwantiteit in de landbouwproductie?
Ontwikkeling van de glastuinbouw logenstraft beweerde tegenstelling. Spil, 2006 (4): 21-24.
31 Hermsen, J.G.Th, 1988. Plantenveredeling draagt voor helft bij aan verhoging voedselproductie. Boer en
Bedrijf, 13 mei: 31.
19
De verbetering van de kas.
Veruit de belangrijkste verbetering van de kas is de grotere
lichtdoorlatendheid. Die grotere lichtdoorlatendheid heeft geleid tot zowel een vergroting van
de fysieke productie als tot een verbetering van de kwaliteit. De betere lichtdoorlatendheid
van de kas maakte onder meer een verlenging van het teeltseizoen mogelijk. Het meerdere
licht leidde tot een vergroting van het droge stof gehalte van het gewas en daarmee tot een
kwaliteitsverbetering. De verhoging van het koolzuurgasgehalte (CO2) van de kaslucht had
een overeenkomstig effect als de verhoging van het lichtniveau in de kas. Wat betreft de
toepassing van hoge intensiteitsbelichting kan een soortgelijke opmerking gemaakt worden.
De externalisatie.
Met externalisatie bedoel ik het afstoten van bepaalde taken naar andere
bedrijven. In mijn jeugd (*1933) was het tuinbouwbedrijf een echt gemengd bedrijf.
Fruitteelt, groenteteelt en bloementeelt kwamen op één bedrijf voor. Het winnen van eigen
zaad was heel gewoon. Datzelfde gold voor het opkweken van planten en de vervaardiging
van de daarvoor benodigde potgrond. De potgrond op ons ouderlijk bedrijf had als basis de
bagger van de sloot (goed voorzien van
onkruidzaden). Een toen veel voorkomende
werkwijze.32 Varkensmest vormde de basis van de
organische mestproductie, aangevuld met het
organisch afval van gezin en tuin. Dit laatste
alleen voorzover het niet geschikt was als veevoer
of brandhout. De betekenis van deze laatste
Het gemengde tuinbouwbedrijf rond 1935
verandering,
een verandering in de organisatie
(ouderlijk bedrijf auteur). Druivenkas rechts; dus,
is misschien wel de belangrijkste geweest.
chrysanten (aan stokken) op achtergrond en veel
groentegewassen.
Betere rassen, -planten, -kassen, -irrigatie- en
automatiseringssystemen, -gewasbescherming waar onder biologische bestrijding zijn niet
mogelijk anders dan door middel van gespecialiseerde bedrijven. Anders gezegd:
externalisatie heeft het mogelijk gemaakt resultaten van wetenschappelijk onderzoek op het
tuinbouwbedrijf tot toepassing te brengen.
32 Boertje, G.A., D. Klapwijk & J. de Maa, 1998. Kroniek van 50 jaar potgrond. VPN, Naaldwijk.
20
Ik kom later op het proces van de voorlichting terug. Voorlichting wordt in de klassieke
voorstelling wel omschreven als de weg waarlangs kennis de praktijk bereikt. Het is goed ons
te realiseren dat veel wetenschappelijke kennis het bedrijf bereikt via aangekochte
goederen
en
diensten
. In hybride zaden is kennis vanuit de erfelijkheidsleer verpakt. De moderne kas
kan niet gebouwd worden zonder kennis van de sterkteleer en de kennis, die nodig is om een
glasplaat van de gewenste afmetingen te fabriceren. Zonder een diepgaande kennis van de
biologie zijn biologische bestrijders niet te fabriceren noch is zonder die kennis een goed
advies over het gebruik ervan te geven. In de boekhouding is kennis `verpakt′ van moderne
administratietechnieken.
Externalisatie is géén vanzelfsprekendheid. In een artikel over de Zwitserse landbouw uit
1951 kwam ik het volgende spreekwoord tegen:
Der Rauch vom Herdfeuer ist das einzige, was der Bauernhaushalt ausgeben darf.33
Het is een illustratie van de op zelfvoorziening, in zich zelf gekeerde landbouw. Een tendens
die ook in de Nederlandse literatuur (opnieuw) als wenselijk naar voren gebracht wordt. Mijns
inziens is dit een heilloze weg.34
De visie op gewasbescherming is veranderd in de loop der jaren. Deze plaat van
kort na wereldoorlog II was erop gericht boeren en tuinders tot de bestrijding van
de coloradokever aan te zetten (Bieleman, 2000).
33 Brugger, H., 1951. Die Selbstversorgung in der schweizerischen Landwirtschaft. In: Stand der Forschung auf
dem Gebiete der Wirtschaftslehre des Landbaues. Schweizerischen Bauernsekretariat Brugg.
34 Van der Ploeg maakte in 1995 in relatie met externalisatie de volgende opmerking: `Of the phenomenology of
quality production, the implied increase of added value at farm level is evidently the most important feature.′
Dit is een bedenkelijk pleidooi tegen externalisatie.
21
Wat betekent duurzaamheid voor ons?
De mogelijkheden van verwetenschappelijking zijn nog allerminst ten einde. In een recente
publicatie over de glastuinbouw wordt de mogelijkheid beschreven om met een betere
regeling van het klimaat een halvering van het gebruik van fossiele energie te realiseren.
Hierbij is een gelijktijdige stijging van de productie per oppervlakte eenheid met 40%
voorzien.35 Een productie van 100 kg tomaten per m2 per jaar ligt daarmee in het verschiet.
De productiviteit per eenheid energie kan, zo blijkt uit dit onderzoek met een factor 2½
omhoog.
Duurzaamheid in op de eerste plaats een kans.36 Een kans om productieprocessen efficiënter
te laten verlopen en dus kosten te besparen. Duurzaamheid leidt tot productiemethoden
waarbij per uur arbeid, en/of per oppervlakte eenheid en/of per eenheid hulpstoffen (inclusief
energie, meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen) een hogere productie gerealiseerd
wordt. Het boven beschreven voorbeeld over de vergroting van de glasmaat waarbij kostenbe-
perking (minder gebruik materiaal), beperking van inzet van hulpstoffen (minder
energiegebruik) en opbrengstverhoging hand in hand gingen, is een goed voorbeeld van de
weg naar duurzaamheid. Het eerder genoemde onderzoek van Ooteghem is een ander, recent,
voorbeeld. Duurzaamheid is niet iets nieuws. Het zijn de deugden die onze ouders zuinig en
slim noemden. Cramer zegt het in haar aanvaardingsrede zo:
Duurzaam ondernemen heeft betrekking op het in stand houden van drie soorten kapitaal: economisch,
ecologisch én sociaal kapitaal.
Het economisch kapitaal omvat de bijdrage van het bedrijf aan de economische welvaart in brede zin. Het
ecologisch kapitaal hangt samen met het zo spaarzaam mogelijk omgaan met natuurlijke hulpbronnen,
energie en materie, en het zo lang mogelijk in de kringloop houden van grondstoffen. En het sociaal kapitaal
heeft zowel betrekking op het welzijn van de eigen werknemers als op de bijdrage van het bedrijf aan de
maatschappij in bredere zin.
In de land- en tuinbouw zijn tal van voorbeelden te noemen die als bouwstenen gelden voor
duurzaamheid. Ik noem er vier uit de glastuinbouw.
De productieverhoging per m2. De productieverhoging heeft, ceteris paribus, geleid tot een
hogere productie per uur arbeid, per eenheid hulpstoffen (met energie als belangrijkste) en per
geïnvesteerde euro. Productieverhoging per oppervlakte eenheid is de grootste bijdrage
geweest in de gehele plantaardige productie op weg naar duurzaamheid. In de terminologie
35 Ooteghem, R.J.C., 2007. Optimal control design for a solar greenhouse. Dissertatie Wageningen Universiteit.
36 Cramer, J., 2006. Duurzaam ondernemen: van defensief naar innovatief. Aanvaardingsrede Universiteit
Utrecht.
22
van Cramer betreft het hier een vergroting van zowel het economische als het ecologische
kapitaal.
Het recirculeren van voedingsoplossingen. De introductie van deze techniek heeft een
wezenlijke bijdrage geleverd aan de verhoging van de productie per eenheid meststoffen en
per eenheid water. De productieverhoging per eenheid meststoffen is tot stand gekomen door
de verspilling (vervuiling) belangrijk terug te dringen. Cramer noemt dit het langer in de
kringloop houden van grondstoffen.
Het introduceren van biologische bestrijding in het geïntegreerde schema. Dit vergroot de
productiviteit van het sociale kapitaal door de aangenamere werkomstandigheden en door het
positieve effect dat deze bestrijdingswijze heeft op de beeldvorming over landbouw in de
maatschappij. Bovendien draagt het bij aan het economische rendement.37
Scherper letten op de omstandigheden waaronder gewasbeschermingsmaatregelen uitgevoerd
worden. Het sluiten van de ramen tijdens het spuiten leidt tot een hogere concentratie van het
gewasbeschermingsmiddel in de kas en dus tot een effectiever middelengebruik. Dat
daarnaast de problemen met de omgeving verkleint worden is mooi meegenomen.
Is dat alles wat met duurzaamheid te maken heeft? Nee, eigenlijk pas de helft maar wel veruit
de belangrijkste helft. De SER noemt de volgende voorwaarden voor duurzaamheid in een
bedrijf.38
Paarderugsproeimachine. De toen (1919) gebruikte middelen waren in het
algemeen aanzienlijk giftiger dan de huidige.39
37 Vijverberg, A.J., 2006. Gewasbescherming met biologische bestrijders en middelen. Gewasbescherming 37:
41-45.
38 Cramer, J. t.a.p.: 8.
39 Broek, M. van den & P.J. Schenk, 19193. Ziekten en beschadigingen der tuinbouwgewassen. II.:
Bestrijdingsmiddelen en wettelijke voorschriften. Wolters, Groningen: 138.
23
Het bewust richten van de ondernemingsactiviteiten op waardecreatie in drie dimensies Profit, People,
Planet en daarmee op de bijdrage aan de maatschappelijke welvaart op langere termijn en:
Een relatie met de verschillende belanghebbenden onderhouden op basis van doorzichtigheid en dialoog,
waarbij antwoord wordt gegeven op gerechtvaardigde vragen uit de maatschappij.
Behalve dingen goed doen moet je het anderen dus ook laten weten. Communiceren naar
geïnteresseerden wat er op een bedrijf gebeurt is belangrijk. Het gaat er dus om de slagzin van
de reclame, van de public relations toe te passen:
Be good and tell it.
Vacuümkoeling sla. Een
techniek die in de jaren
zeventig van de vorige
eeuw geïntroduceerd is en
die een belangrijke
bijdrage levert aan het
kwaliteitsbehoud. Binnen
twintig minuten werd de
producttemperatuur
teruggebracht naar 20C
24
Duurzame landbouw
Menselijke activiteiten moeten duurzaam zijn, landbouw dus ook. Mensen moeten met die
activiteit nu en in de toekomst een boterham kunnen verdienen. Dat heet economische
duurzaamheid. Het moet ook een activiteit zijn waar de mensen, die er werken en die op de
een of andere wijze ermee te maken hebben, trots op kunnen zijn. Dat heet sociale
duurzaamheid. En we moeten zuinig zijn en niet teveel rommel achterlaten. Dat heet
ecologisch duurzaamheid.
Vanuit Artemis en haar leden naar duurzaamheid kijkend ligt onze interesse
vooral
op het
terrein van de ecologische duurzaamheid maar niet
uitsluitend
.
Biologische bestrijding van plagen (maar ook van ziekten) levert een bijdrage aan de sociale
en economische duurzaamheid. Denk hierbij aan het boven gegeven voorbeeld van de
ontwikkeling bij kassen. Ontwikkelingen gaan van start als het op een nieuwe manier beter
gaat en goedkoper. Recente ervaringen hebben geleerd dat biologische bestrijding van plagen
in dichte gewassen goedkoper en bedrijfszekerder is dan bestrijding met
gewasbeschermingsmiddelen.40 Als een methode goedkoper is dan een andere is het
economisch duurzamer dan die andere methode. Ik denk dat dit de reden is van de groei in de
biologische plaagbestrijding in de bloemisterij. Economische duurzaamheid speelt de sector
van de biologische bestrijding in de kaart.
Het kan moeilijk voldoende onderstreept woorden hoe belangrijk economische duurzaamheid
is voor de biologische bestrijding. Ik geef twee voorbeelden om dit te onderstrepen.
De bestrijding van de vuilboomluis,
Aphis frangulae,
in aardappelen met een combinatie van
sluipwespen en galmuggen bleek in de praktijk heel goed mogelijk te zijn tegen aanvaardbare
kosten. De introductie van het selectieve insecticide plenum betekende een goedkopere,
effectieve bestrijding en daarmee verdween de mogelijkheid van biologische bestrijding
achter de horizon.41 De ontwikkelingskosten van een dergelijke biologische bestrijding zullen
dan ook niet, of althans voorlopig niet worden terugverdiend.
Recent zijn meerdere publicaties verschenen die melding maken van gunstige resultaten van
biologische bestrijding in de bloemisterij.42 De nul-tolerantie die de Russische Federatie
ingevoerd heeft voor bepaalde plaaginsecten brengt ondernemers tot de vraag of economische
duurzaamheid voor hen betekent doorgaan met biologische bestrijding en daarmee afstand
40 Diemen, B. van, 2006. Chemische spintbestrijding moeizamer dan geïntegreerde. Vakblad Bloemisterij 61
(24): 40-41.
41 Bom, A., 2004. Ploegen op rotsen. Gewasbescherming 35: 56-59.
42 Vijverberg, A.J., 2006. Gewasbescherming met biologische bestrijders en middelen. Gewasbescherming 37:
41-45.
25
doen van levering aan de koopkrachtige Russische markt of die economisch aantrekkelijke
markt blijven beleveren. Los van emoties moeten ondernemers hierover een beslissing
nemen!
Om ecologische duurzaamheid te bereiken in de landbouw is het krachtig stimuleren van het
concept van geïntegreerde teelt (gewasbescherming) gewenst. Bij geïntegreerde teelt worden
alle mogelijkheden gebruikt om tot een optimale teelt te komen. Uitgangsmateriaal dat vrij
van ziekten, plagen en onkruiden is vormt zo′n mogelijkheid. Vruchtwisseling is een andere.
Bedrijfshygiène, waardplanten voor ziekten en plagen onder controle houden, een goede
bemesting en een goede klimaatregeling (bij beschermde teelten) zijn enkele andere
voorbeelden. Teeltsystemen die bij voorbaat bepaalde mogelijkheden tot optimalisatie
afwijzen zijn daarom per definitie niet duurzaam. Deze laatste opmerking dwingt mij stil te
staan bij de biologische landbouw.
Eikenprocessierups, Thaumetopoea processionea. `Ik herinner mij, dat,
ik meen in 1878, de weg tusschen Nijmegen en Hees voor mensch noch
dier straffeloos begaanbaar was en zooveel mogelijk gemeden werd
aangezien de soort daar toen in massa aanwezig was en de lucht met de
fijne haren vervulde, waardoor het verkeeren op dien weg inderdaad
ernstige gevolgen had.43
43 Oudemans, J. Th., 1900. De Nederlandsche insecten. Nijhoff, ′s Gravenhage: 458.
26
Biologische landbouw
Biologische landbouw is onder meer gekenmerkt door het afwijzen van synthetische
gewasbeschermingsmiddelen, kunstmest en moderne veredelingstechnieken.44 Dat zijn drie
belangrijke mogelijkheden om de landbouwproductie te optimaliseren. Biologische landbouw
is door deze afwijzing per definitie niet
ecologisch
duurzaam. Duurzaamheid kan moeilijk
bereikt worden als à priori bepaalde mogelijkheden afgewezen worden.
Het afwijzen van deze mogelijkheden door de biologische landbouw wordt door sommigen
gezien als een uiting van ultieme duurzaamheid. Er treedt immers géén vervuiling op van het
milieu door gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen of `vreemde genen′, zo stelt men.
Diegenen, die deze visie aanhangen, stellen zich op als mensen die pleiten voor een verbod op
het gebruik van fossiele brandstof vanwege de problemen met de CO2 emissie. In mijn visie
gaat het over doelmatiger gebruik van fossiele brandstof zoals ook doelmatiger gebruik van
hulpstoffen in de landbouw geboden is.
Biologische landbouw kan heel wel
economisch
rendabel zijn. Als er
voldoende kopers zijn voor biologisch geteelde producten moeten die
producten geteeld worden. In Zwitserland, ′s werelds koploper op het
gebied van biologische landbouw, wordt per jaar per hoofd van de
bevolking ruim honderd euro besteed aan biologisch voedsel. Groei
zit er niet of nauwelijks meer in maar toch een markt van ruim
Bij voorbaat afzien van
zevenhonderd miljoen euro!45 Groei van het biologische segment is
mogelijkheden om de
productie te optimaliseren
in West-Europa zeer wel mogelijk. Vele consumenten kennen aan
is strijdig met
biologische producten een emotionele waarde toe en vinden het
duurzaamheid.
product lekkerder dan traditioneel geteelde producten. Zo′n product is een stevige meerprijs
waard! Productdiversificatie is, zeker in de tuinbouw een activiteit, die al jaren bestaat. Oranje
paprika′s, gele tomaten, Saintpaulia′s in een mandje, rozen in bossen van drie, vijf, zeven of
twintig stuks, het gemengde boeket en boompjes gesnoeid als bonsai zijn enkele willekeurige
voorbeelden van die productdifferentiatie. De door mij aangehaalde voorbeelden van product-
differentiatie hebben alle zonder overheidsbemoeienis de markt bereikt.
De overheidsbemoeienis met organische landbouw stimuleert de consument (en waarschijn-
lijk ook de producent) in een niet duurzame en dus verkeerde richting.46 Die verkeerde
44 Vijverberg, A.J., Nieuwe mythen in de landbouw? Gewasbescherming 32: 1-5.
45 Stich, O, 2006. Dear reader. Activity report 2006 FiBL: Research Institute of Organic Agriculture-
Switzerland, Germany and Austria: 1.
46 Vijverberg, A.J., 2007. Overheid spreekt met twee monden. Gewasbescherming 38: 5-6.
27
richting kunnen wij ons als Nederland wel permitteren maar het zou rampzalig zijn als de
wereld ons hierin zou volgen. Moreel gezien vind ik de steun die de Nederlandse overheid aan
de biologische landbouw geeft echter hoogst bedenkelijk. Ik weet uit ervaring, althans zeker
op tuinbouwgebied, dat Nederland een voorbeeldrol vervult op wereldvlak! Dat verplicht ons
om ons gedrag, onze politiek ook af te stemmen op wat internationaal gewenst is. De
directeur van de `European and Mediterranean Plant Protection Organisation (EPPO) drukte
zijn visie over biologische landbouw op het eind van de vorige eeuw als volgt uit:47
However, there is also a certain danger in the officialization (nationally and by the EU) of standards for organic farming.
It is like homoeopathic pharmacy: some of its methods work, but its bases are ideological and without rigorous founda-
tion. They do not have predictive value. So to officialize organic farming is to take society onto shaky ground.
Met de filosofie van de biologische landbouw als richtsnoer, als nastrevenswaardig, lijkt het
moeilijk lijkt om een verdubbeling van de voedselproductie in de komende twintig jaar te
realiseren zoals onlangs door Maat werd bepleit.48 Waarom heeft biologische landbouw de
populariteit die het heeft? Ik denk dat daar drie reden voor zijn, nl.:
In de maatschappij leeft een chemofobie, een angst voor alles wat met chemie te maken heeft.
Kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen zijn producten uit de chemische industrie. Het
gebruik van die producten roept daarom maatschappelijke weerstand op.
`Natuurlijke producten′, de tweede reden, hebben in de maatschappij een aangename klank.
Onderscheid maken tussen `natuurlijke′ producten en `chemische′ producten is echter
wetenschappelijk gezien niet mogelijk.49 Met `natuurlijk′ stelt men zich dan een
productiewijze voor ogen van vóór 1950. De
cultuur
dus gekenmerkt door een langere
productieperiode, een lagere productiviteit en het gebruik van minder hulpstoffen (energie,
kunstmest, raskeuze en gewasbeschermingsmiddelen). De consument verbindt aan deze
beelden een lekkerder smaak en een betere gezondheid dan aan de nu verkrijgbare producten.
Een derde reden is dat de overheid aan de biologische landbouw het aureool verbonden heeft
van nastrevenswaardig. De overheid heeft hierbij onverantwoord gehandeld. De overheid
heeft niet als trendsetter, als opinieleider geopereerd maar als opinievolger. `Men′ wil het en
dus doen we het. Een verschijnsel dat in de politiek niet ongewoon is.50
47 Smith, I.M., 1999. Reflection on chapter I. In: G. Meester, D. Woittiez & A. de Zeeuw: Plant and Politics.
Wageningen Pers: 49-51.
48 Scheer, T. van der, 2007. CDA-politicus naar LTO. Groenten en fruit (10): 8.
49 Vijverberg, A.J., 2001. Natuurlijk of chemisch? Gewasbescherming 32: 108-109.
50 Doel, W. van der, 2006. De komende dorpsverkiezingen. De Volkskrant 14-11.
28
Citaat uit 51
51 Anonymus, 1917. Dopluis op perzik en druif. Mededeelingen van den Phytopathologischen Dienst te
Wageningen: 5.
29
Geschiedenis van de gewasbescherming
Bestrijding van plagen (dierlijke aantasters, die met het blote oog zichtbaar zijn) is ouder dan
de bestrijding van ziekten (schimmels, bacteriën en nematoden).
Over de bestrijding van ziekten van planten is veel geschreven. Plinius schreef in zijn
Naturalis Historia over enkele schimmelziekten. Hij schreef het volgende over de vraag of de
zon dan wel de kou de oorzaak is van ziekten.52
De meesten beweren dat dauw die door de felle zon is ingebrand de oorzaak is van roest in het koren
[roestsporen kleuren het blad ter plekke rood] en brand in de wijnstok. Ik denk dat dit ten dele onjuist is en
dat elke vorm van verkoling uitsluitend ontstaat door kou, zonder dat de zon er schuld aan heeft.
De rode sporen van roest worden omschreven als verkoling. Weersomstandigheden zijn in de
opvatting van Plinius de oorzaak van het optreden van ziekten. Het idee dat ziekten
veroorzaakt werden door de voeding van de plant of door weersomstandigheden was in het
midden van negentiende eeuw nog de gangbare opvatting. Witte, hortulanus van de
Universiteit Leiden schreef in 1855:53
De verkeerde toepassing hiervan [van licht, lucht, warmte en water in de plantenteelt] kan als de enige
oorzaak worden beschouwd van alle ziekelijke, gebrekkige of abnormale ontwikkelingen der planten; waarvan
die ziekten, welke een epidemisch karakter hebben zijn uitgezonderd; daar deze meer waarschijnlijk aan
atmospherische invloeden zullen moeten worden toegeschreven.
Dit citaat van een Leidse geleerde maakt duidelijk dat bij ziekten nog niet aan een verwekker
gedacht werd. Het volgende citaat van de bioloog Van der Trappen uit 1859, die schrijft over
de ziekte in druiven, illustreert duidelijk dat het begrip voor een relatie tussen ziekte en
verwekker ook bij hem nog ver te zoeken is. In zijn betoog maakt hij een uitstapje van de aan
meeldauw lijdende druif naar de aan pokken (een virusziekte) leidende mens:54
Hebben scheikundigen in den pok-etter bij den mensch onder andere Chloornatrium, melkzure ammonium en
phosphorzure zouten gevonden, en alzoo eenige bestanddelen, welke aan het rijk der delfstoffen toebehooren,
en hebben anderen door een daarin waargenomen insect het dierenrijk vertegenwoordigd gezien, welligt zal
nu ook weldra eene vertegenwoordiging van het plantenrijk zich daarin aan het zoekende oog voordoen en
misschien zal dat dezelfde Erysibe Tuckeri [nu bekend als Unicula necator, de veroorzaker van echte
meeldauw bij druif] zijn.
52 Gelder, 2004.t.a.p.: 413.
53 Witte, H., 1855. Eenige oorzaken van kwijning of ziekten der planten. Leiden: 14 blz.
54
Trappen, J.E. van der, 1859. Nog iets over de druiventeelt in het Westland en over den wijnstok in het
algemeen. Flora en Pomona 6: 2-26.
30
Deze auteur drijft de spot met resultaten van onderzoek die niet in zijn kraam te pas komen.
Er is in dit citaat geen begin van een vermoeden dat een ziekte, zowel bij mens als plant, iets
met een veroorzaker (een schimmel, bacterie of virus) te maken heeft. Elke specialist
(scheikundige, geoloog, entomoloog en mycoloog) vindt bij de aan pokken lijdende mens wel
wat van zijn gading. Een schimmel, zo betoogt Van der Trappen, kan een begeleidend
verschijnsel bij een ziekte zijn maar niet de oorzaak ervan.
Praktische kennis over de toepassing van bestrijdingsmiddelen was toen al voorhanden.
Misschien is het beter van behandelingsmiddelen dan van bestrijdingsmiddelen te spreken.
Voor een bestrijdingsmiddel moet er immers kennis zijn van een te bestrijden organisme. De
kennis over een `behandelingsmiddel′ van enkele ziekten was ontstaan meer ondanks dan
dankzij de landbouwwetenschap. In de druiventeelt, o.a. in het Westland, werd zwavel op
grote schaal toegepast als bestrijding van `de druivenziekte′, nu bekend als
Unicula necator
,
de echte meeldauw van druif.55 In de graanteelt kwam in de tweede helft van de achttiende
eeuw als bestrijder van steenbrand zaaizaadontsmetting in zwang.56 De behandeling gebeurde
met kalkwater; soms ook met ongebluste kalk. Dat laatste leidde tot een
warmwaterbehandeling van het zaaizaad met kalk.57 In het derde kwart van de negentiende
eeuw waren dit waarschijnlijk de enige toepassingen van stoffen met een fungicide werking.
De beperkte toepassing van bestrijdingsmiddelen tot het eerste kwart van de twintigste eeuw
wordt goed geïllustreerd door een Amerikaans boek over ziekten in groentegewassen.58 Dit
boek van bijna 650 blz. beschrijft de ziekten in groentegewassen. De ziekteverwekkers komen
in dit boek uitgebreid aan bod. Aan fungiciden worden in totaal 10 blz. besteed. Het gaat dan
over diverse koperverbindingen (w.o. Bordeauxse pap), kwikchloride (HgCl), formaldehyde
(H2CO); heet water en calciumhypochloride (Ca(OCl)2.
In de tweede helft van de negentiende eeuw brak het inzicht door dat elke ziekte een unieke
veroorzaker had.
55
Vijverberg, A.J., 2005. De druiventeelt in het Westland rond 1850. Historisch Jaarboek Westland 18:
64-81.
56
Bieleman, J., 2000. Gewasbescherming. In: Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Deel III,
Landbouw en Voeding. Walburg Pers, Zutphen: 203-225.
57
CaO (ongebluste kalk) + H2O (water) Ca(OH)2 (gebluste kalk) + warmte (energie)
58
Chupp, C., 1925. Manual of vegetable-garden diseases. MacMillan, New York.
31
Zadoks onderscheidt vier perioden in de gewasbescherming.59 Deze indeling geeft een goede
visie op onze huidige situatie. Ik geef deze perioden hieronder weer.
1.
De voorwetenschappelijke periode
. Dit is de tijd tot 1890. Ik heb daarover hierboven al
wat gezegd.
2.
De pathogenistische periode
. Elke ziekte heeft een unieke veroorzaker (pathogeen). Het
boek van Chupp, dat ik eerder noemde, is daar een goed voorbeeld van. Dit boek
beschrijft de toen bekende ziekteverwekkers en somt de cultuurmaatregelen op om de
schade zoveel mogelijk te beperken. In het laatste gedeelte van het boek komen, min of
meer als afsluiting, een handvol gewasbeschermingsmiddelen aan bod.
3.
De chemistische periode
. Deze periode wordt in de menselijke geneeskunde gekenmerkt
door het idee, dat elke ziekte of kwaal te bestrijden is door langs de apotheek te gaan. In
de landbouw overheerst in die periode het besef, dat gewasbeschermingsmiddelen alle
problemen kunnen oplossen. Deze periode gaat in 1940 van start.
4.
De ecologistische periode
. Oecos is het Griekse woord voor `huis′. Het is de periode
waarin de omgeving `het huis waarin wij wonen′ centraal staat. Ingrepen in het huis
(gewasbeschermingsmiddelen toepassen) zijn akkoord, maar alleen als wij er alles aan
gedaan hebben om de mogelijkheden die het huis biedt (onze cultuur en natuur) te
gebruiken.
Biologische bestrijding van ziekten en plagen scoren goed in de ecologische periode.
Technisch gezien is biologische bestrijding van plagen goed mogelijk. Biologische bestrijding
van ziekten is (nog?) moeilijker. Veel moeilijker zelfs dan biologische plaagbestrijding.
Biologische bestrijding van plagen is ouder en breder verspreid dan biologische bestrijding
van ziekten.
Globaal gesproken wordt in de plantenteelt op drie wijzen gebruik gemaakt van de
mogelijkheden, die biologische bestrijding biedt, nl.:
Gebruik maken van de voorkomende natuurlijke bestrijders van plagen, c.q. een
éénmalige introductie hiervan. Een goed voorbeeld hiervan was de bestrijding van spint,
Tetranychus urticae
, bij pruimen en perziken onder glas. Eén bespuiting met een acaricide
vóór de oogst en gebruik maken van de voorkomende parasieten voor de spintbestrijding
na de oogst (
Stethorus
punctillum
en
Typhlodromus longipilus
) gaf een bevredigende
59 Zadoks, J.C., 1993. Speurtocht naar duurzaamheid. Diesrede Landbouw Universiteit Wageningen.
32
bestrijding van deze plaag.60 In tal van meerjarige teelten (bosbouw, fruitteelt) wordt deze
methode toegepast, maar ook in éénjarige teelten (rijst).
Een tweede type van biologische bestrijding betreft de introductie van een natuurlijke
vijand om een plaag te bestrijden. Vaak gebeurt dit als een plaag van elders zich gevestigd
heeft. Een goed voorbeeld hiervan is de appelbloedluis,
Eriosoma lanigerum
.61 Dit insect
is rond 1787 vanuit Noord-Amerika Europa binnengekomen. In 1920 werd een natuurlijke
bestrijder van de bloedluis, de sluipwesp
Aphelinus mali
, in Europa geïmporteerd. Dertig
jaar later werd de parasiet overal in Nederland aangetroffen. De sluipwesp levert een
bijdrage aan de bestrijding van de plaag maar is niet afdoende voor een economisch
gewenst effect.
Een derde type van biologische bestrijding dat ik onderscheid is de herhaaldelijke
introductie van natuurlijke bestrijders. Deze introductie vindt meestal plaats in zeer
geringe aantallen (kostenaspect!) en wordt in het Engels aangeduid met de term
`augmentative′ of `inundative biological control` Bij dit type van bestrijding komen
toeleveranciers (leden van Artemis) om de hoek kijken.
Het laatste type van biologische bestrijding is overigens niet zo nieuw als sommigen denken.
Citrustelers in Zuid-China beschermen al minstens sinds de 3e eeuw voor Christus hun
boomgaarden tegen schadelijke rupsen door er mierenkolonies in aan te brengen. Deze
wevermieren,
Oecophylla smaragdina
maken nesten van aaneengesponnen bladeren in de
bomen. Met behulp van bamboestokken maakten Chinese fruittelers loopwegen van de ene
boom naar de andere. In het voorjaar was (is?) er een levendige handel in kolonies.62
Wevermier, Oecophylla smaragdina
60 Bravenboer, L., 1959. Chemische en biologische bestrijding van de spintmijt
Tetranychus urticae
Koch.
Dissertatie LH, Wageningen.
61 Evenhuis, H.H., 1958. Een oecologisch onderzoek over de appelbloedluis,
Eriosoma lanigerum,
(Hausm.), en
haar parasiet
Aphelinus mali
(Hald.) in Nederland. Dissertatie RUG.
62 Gruys, P., 1964. Biologische bestrijdingsmethoden en hun toepassing in Nederland. In: J.W. Tesch, e.a.: Op
leven en dood. Problemen rondom de chemische en biologische bestrijding van plagen. Centrum voor
Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie Wageningen: 130-163.
33
Dit was Artemis avant la lettre! De resistentie tegen insecticiden van bepaalde rupsen heeft de
techniek rond deze mieren weer in de belangstelling gebracht.63
Nilaparvata lugens. Foto: Alex Wild, 2004. 64
Toepassing van gewasbeschermingsmiddelen heeft overigens niet alleen maar voordelen. Er
zijn voorbeelden van verstoring van het biologische evenwicht door het toepassen van
bestrijdingsmiddelen. In mijn studententijd bezochten wij met prof. De Wilde, hoogleraar in
de entomologie, boomgaarden in de omgeving van Wageningen. In verwaarloosde
boomgaarden was géén spint te vinden. Er waren wel plaaginsecten te vinden, méér dan in
goed onderhouden boomgaarden. In deze laatste was spint de belangrijkste plaag. Een
soortgelijk effect is bekend uit de tropen. De `brown plant hopper′,
Nilaparvata lugens,
is in de rijstteelt pas een echte plaag geworden nadat
gewasbeschermingsmiddelen massaal ingezet werden.65
`Alles gaat voorbij behalve het verleden′ schreef Luc Huyse eens. Die stelling
gaat ook op voor de gewasbescherming. Ook nu wordt de stelling nog wel eens
verkondigd, dat ziekten en plagen uitsluitend veroorzaakt worden door
onevenwichtigheden in de voeding van het gewas.66 Ik denk dat een
voortdurende oriëntatie van de landbouw op de natuurwetenschap van belang
is om in de toekomst de goede richting te blijven houden. Kennis die haaks
staat op wat in de schoolbanken geleerd is, moet gewantrouwd worden!
Door uienvlieg, Delia antiqua, aangetaste preiplant. Het gaatje waardoor de larve zich naar
binnen geboord heeft (secundaire aantasting) is goed zichtbaar.
67
63 http://www.naturia.per.sg/buloh/inverts/weaver_ants.htm
64
CSIRO
65
Kenmore, P.E., 1991. Leerproces voor rijsttelers komt mens en milieu ten goede. Landbouwkundig
Tijdschrift 103 (2): 19-22.
66 Stallen, J., 2005. Genetische manipulatie draait bodemleven de nek om. Groenten en Fruit (13): 32-33.
67 Maan, W.J., 1945. Biologie en Phaenologie van de uienvlieg
Chortophila antiqua
(Meigen) en de preimot,
Acrolepia assectella
(Zeller) als grondslag voor de bestrijding. Mededeelingen van den
Tuinbouwvoorlichtingsdienst: 39.
34
Lastenverzwaring
In de voorbije jaren is de regelgeving op het terrein van de biologische bestrijding belangrijk
uitgebreid. Er is dus in tegenstelling met het met de mond beleden geloof sprake van een
belangrijke lastenverzwaring. In tijdsvolgorde betreft het de regelgeving rond het welzijn van
dieren en de gevolgen van de Flora- en Faunawet. Ik maak over beide lastenverzwaringen
enkele opmerkingen.
In de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de overheid de welzijnswet dieren ingevoerd.
Deze welzijnswet strekt zich over alle dieren uit. Dus ook over de geleedpotigen, de wormen,
de holtedieren en de sponsen. Als de overheid zo′n regelgeving vaststelt lijkt het mij logisch
dat zij inzicht heeft of verwerft in het welzijn van de verschillende groepen van dieren. Tot
heden zijn mij géén resultaten of pogingen om resultaten te verkrijgen (onderzoek) bekend
om zicht te krijgen op het welzijn van geleedpotigen. Het betreft hier een geval van duidelijke
symboolwetgeving. De regel is vastgesteld en het probleem is over!68
Een verstandige overheid zou als zij vaststelt dat haar het inzicht in het welzijn van bepaalde
groepen dieren ontbreekt het besluit nemen om de werking van zo′n wet te beperken tot die
stammen (klassen) van dieren waarbij enig zicht bestaat op hun welzijn. Zo niet onze
Nederlandse overheid.
Jonge kasspintmijt (links) wordt leeggezogen door een
volwassen roofmijt. Ook geleedpotigen zijn onderwerp
van wetgeving op het terrein van dierenwelzijn.
69
Na een
zeer
onzorgvuldige voorbereiding70 besluit men een aantal soorten, welke gebruikt
worden bij de opkweek van natuurlijke vijanden en waarvan men toevalligerwijze de namen
heeft verkregen, toe te laten als prooidier. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat ook
68 Oostenbrink, J.J., 1992. Wetten, waarden en symbolen. Afscheidscollege VU, Amsterdam.
69 Anonymus, 1980. Landbouw zonder spuit. Geïntegreerde bestrijding van insectenplagen in de landbouw.
Pudoc, Wageningen: 19.
70
De bron van informatie was een advertentie waarin opgeroepen werd natuurlijke bestrijders aan te
melden ten einde een vrijstelling te verkrijgen. Enkele bedrijven hebben toen ook hun prooidieren aangemeld.
Deze bron heeft de overheid gebruikt om `dit probleem′ uit de wereld te helpen.
35
hier symboolwetgeving wordt bedreven. Er is `passende′ regelgeving gemaakt voor
prooidieren, gebruikt in de biologische bestrijding, en dus is het probleem opgelost!
Een tweede voorbeeld van lastenverzwaring betreft de Flora- en Faunawet. Deze wet stam uit
het begin van de eenentwintigste eeuw. In het kader van de Flora- en Faunawet is het
verboden om dieren of eieren van dieren uit te zetten in ons land. De wet houdt een absoluut
verbod op biologische bestrijding in. Het betreft hier een onvoorzien effect van de wet. Bij
inwerkingtreding van de wet wordt in een toelichtende brochure over die effecten van de wet
met géén woord gerept over biologische bestrijding.71
Het denken over biologische bestrijding is in de loop van de jaren veranderd. In 1985 zei Van
Lenteren in zijn intreerede in Wageningen over de biologische bestrijding het volgende: 72
Tenslotte het misverstand dat biologische bestrijding tot schadelijke neveneffecten kan leiden. De
risico′s voor het milieu en de mens zijn bij gebruik van biologische bestrijding gering. Geen enkele
natuurlijke vijand is tot nu toe direct schadelijk geweest voor de mens. Potentiële natuurlijke
vijanden worden voor gebruik aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen om na te gaan of ze
andere nuttige organismen zouden kunnen aanvallen. Als dat zo is worden ze niet gebruikt.
Uiteraard kan men nooit met 100% zekerheid voorspellen.
en:
Deze gegevens maken het duidelijk dat een discussie over het risico van het gebruik van natuurlijke
vijanden een triviale [zonder wezenlijke betekenis] is.
In 2003 schrijft hij in een onderzoek over de risico′s van het gebruik van biologische
bestrijders:73
The current popularity of inundative biological control may, however, result in problems, as an increasing
number of activities will be executed by persons, not trained in identification, evaluation and release in bio-
logical control agencies.
De twee citaten illustreren een verschuiving in de maatschappelijke appreciatie van
biologische bestrijding. Uit het laatste citaat spreekt ook een wantrouwen ten opzichte van het
bedrijfsleven.
Ik denk dat genoemde verschuiving te maken heeft met minder aandacht voor de problemen
van gewasbeschermingsmiddelen (het verschijnen van het boek van Rachel Carson ligt al
71
Faber, G., 2002.
72 Lenteren, J.C. van, 1985. Plaagbestrijding anders: Meer dan kunst- en vliegwerk? Inaugurele rede LH,
Wageningen.
73
Lenteren, J.C. van et al, 2003. Environmental risk assessment of exotic natural enemies used in inunda-
tive biological control. Bio Control 48: 3-38.
36
ruim veertig jaar achter ons74). De belangstelling is verschoven in de richting van het
ecologische evenwicht. Behouden we wel de soorten die `van ons zijn′ en worden we niet
teveel overspoeld door `vreemde smetten′. Ik denk dat het beleid op dit gebied niet vrij is van
een zekere nostalgie: een gevoel, een hang naar het `zuivere′ verleden. In een zo
internationaal georiënteerd land als Nederland met zijn historie van internationale relaties en
′mainports′ is het idee van een nationaal, geïsoleerd biotoop een gotspe.
Perzikluis, Myzus persicae, eieren en vrouwtje. Versailles, 10-11-1948.75
74
Carson, R., 1962. Silent Spring. Houghton Miffin, Boston. In het Nederlands vertaald onder de titel:
Dode Lente.
75 Bonnemaison, L., 1951. Contribution a l′étude des facteurs provoquant l′apparition des formes ailées et
sexuées chez les aphididae. Annales des épiphyties 2: 2.
37
Taak van het onderzoek
Bij het onderzoek naar de potentiële problemen welke biologische bestrijding zou kunnen
veroorzaken is het onderzoek uitgegroeid tot een gesloten keten. De onderzoekers hebben het
probleem geformuleerd en financiering gekregen om het probleem te onderzoeken. Over de
resultaten van hun onderzoek hebben zij gepubliceerd. Daarmee was voor de onderzoekers de
kous niet af. Zij hebben ook gepubliceerd hoe het probleem opgelost diende te worden (hoe
de regelgeving in elkaar diende te steken) en daarna de regelgeving geformuleerd. Vervolgens
voeren zij het onderzoek uit dat nodig is om de door hen ontworpen regelgeving goed uit te
voeren. Ik maak over deze ontwikkelingen een aantal kritische kanttekeningen.
Als een onderzoek aanleiding geeft tot regelgeving is een maatschappelijk debat gewenst over
de vraag of regelgeving naar aanleiding van het gepubliceerde onderzoek gewenst is. Een
onderzoeksresultaat moet een opschudder zijn voor het wetenschappelijke en
maatschappelijke debat. De noodzaak van dit debat wordt ook gevoeld door sommige
onderzoekers zoals uit het volgende citaat blijkt.76
BioControl is pleased to publish in this issue a FORUM article, which describes in detail for the first time a
general method for assessing the environmental safety of arthropod biocontrol agents. We are aware that this
topic is a very controversial one just what FORUM articles are intended to be and therefore this particu-
lar paper must be seen as an opening of the scientific discussion on how we can demonstrate the safety of the
organisms we are working with.
Eerst na een maatschappelijk en wetenschappelijk debat moet de overheid besluiten of en zo
ja welk type regelgeving gewenst is. Een convenant van de overheid met de betrokken
partijen is ook een te overwegen mogelijkheid. In het geval wat wij hier bespreken is deze
vraag nooit onderwerp van een publiek debat geweest.
De gevolgde werkwijze leidt tot gedrochten in regelgeving. In een concept regelgeving dat
Artemis is voorgelegd was een vraag opgenomen naar de economische perspectieven. Zo′n
vraag kan maar op twee manieren uitgelegd worden. Eén mogelijkheid is dat men de be-
drijven wil behoeden voor het lopen van een te groot ondernemersrisico. Een andere
mogelijkheid is dat de overheid extra mogelijkheden zoekt om beperkingen aan de toepassing
van biologische bestrijding te introduceren. Beide mogelijkheden passen niet bij een moderne,
democratische overheid.
In het bovenbedoeld concept wordt ook de vraag gesteld in
welke
gewassen, in
welke
dichtheden en in
welke
frequentie men de natuurlijke bestrijder wil uitzetten. Deze vraag is
maar voor één uitleg vatbaar. De overheid wenst toekomstige toelatingen van natuurlijke
76 Hokkanen, H.M.T., 2003. Demonstrating the safety of biocontrol. Biocontrol 48: 1.
38
bestrijders te beperken tot één (enkele) gewassen, tot één dichtheid en tot een genoemd aantal
frequenties. Beide laatste beperkingen eventueel met vermelding van een bandbreedte. Dat de
overheid de regelgeving op dit terrein flink wil uitbreiden, veel verder dan velen in het
bedrijfsleven denken, is duidelijk.
Een vierde merkwaardig fenomeen is de mogelijkheid die de overheid invoert om de
toestemming tot gebruik van biologische bestrijders te beperken tot delen van Nederland. Dit
is heel merkwaardig als men deze regelgeving voor
zeer beweeglijke
natuurlijke vijanden
vergelijkt met die voor de
onbeweeglijke
gewasbeschermingsmiddelen. Bij deze laatste groep
van stoffen vertoont het toelatingsbeleid de neiging om van nationale toelating over te gaan
tot regionale (internationale) toelating. Bij de natuurlijke bestrijders gaat het toelatingsbeleid
de andere kant op. Van nationale naar provinciale of gemeentelijke toelating. De wonderen
zijn de wereld nog niet uit!
Als er van belangenverstrengeling bij het onderzoek in deze géén sprake is geweest, is er
minstens een zeer ernstige schijn van verstrengeling van belangen. Diegenen, die het
probleem geformuleerd hebben, hebben het onderzoek uitgevoerd. Dit is een normale gang
van zaken. Onderzoekers formuleren een probleem om een onderzoeksopdracht binnen te
halen. Dezelfde groep onderzoekers formuleren de eisen, waaraan de regelgeving moet
voldoen. Vervolgens gaat de regelgeving van start en zijn dezelfde onderzoekers druk met het
uitvoeren van het onderzoek dat zij nodig achten om ontheffingen te verlenen. We worden
hier geconfronteerd met een van de wrange producten van de privatisering van het
universitaire onderzoek.
39
Mogelijkheden biologische bestrijding
Biologische bestrijding heeft een positief imago bij de consument, bij de overheid en de
wetenschap. Het positieve imago bij de consument berust, ik heb dat eerder betoogd, op de
voorkeur van de consument voor het `natuurlijke′ en de afkeer van het kunstmatige
(chemofobie). Bij de overheid leeft de zorg voor voedselveiligheid, arbeidsomstandigheden
en milieuomstandigheden. Vanuit de wetenschap wordt gewezen op het ontbreken van het
gevaar van resistentie. Bij het gebruik van natuurlijke middelen is het standpunt vanuit de
wetenschap genuanceerder. Daarnaast wijst de wetenschap zeker op langere termijn op de
betere mogelijkheden om ziekten en plagen onder de schadedrempel te houden en de
perspectieven om gewasbescherming met minder arbeidsuren te realiseren. Het Nederlandse
overheidsbeleid is mede gericht op het gelijk houden van de concurrentieomstandigheden
binnen de EU. Stimulansen voor (de veelal duurdere) biologische bestrijding zijn daardoor
van de overheid niet te verwachten. Groei van biologische bestrijding moet het hebben van
voordelen in het productieproces. In de praktijk zijn die voorbeelden gelukkig te vinden.
Waar wordt biologische bestrijding toegepast?77
Binnen de productielandbouw is de
teelt van vruchtgroenten onder glas
koploper. Een uniek
aantal factoren heeft de snelle groei van biologische bestrijding hier bevorderd. Onderzoek,
optredende resistentie tegen plaagdieren en een maatschappelijk bewustzijn aangaande de
gevaren van pesticiden zijn de belangrijkste. Ook de regeling van de groeiomstandigheden in
de kas is belangrijk. Bij teelten onder glas worden aanzienlijk minder fungiciden gebruikt dan
bij de teelt onder plastic. Bij de teelt van vruchtgroenten onder glas wordt biologische
plaagbestrijding dan ook bijna algemeen toegepast.
De bloemisterij onder glas
is qua biologische bestrijding in ontwikkeling. De grootste
mogelijkheid tot kostprijsverlaging en verduurzaming is, ook in deze sector, nog steeds
verhoging van de productie per oppervlakte-eenheid. Die verhoging in productie brengt een
vergroting van de gewasdichtheid mee. De toepassing van gewasbeschermingsmiddelen
wordt daardoor bemoeilijkt. Natuurlijke vijanden zoeken hun eigen weg en zijn in die
omstandigheden een ideale vervanger van insecticiden en acariciden. In deze sector zal
biologische bestrijding de komende jaren waarschijnlijk toenemen. Een bedreiging voor
natuurlijke bestrijding is de nultolerantie. Nultolerantie is in een aantal gevallen een
bepalende factor of export wel of niet mogelijk is. Nultolerantie vereist, volgens de
77 Vijverberg, A.J., 2005. Gewasbescherming met biologische bestrijders en middelen. De bijdrage van de sector
aan duurzame landbouw en openbare ruimten. Artemis, Gravenzande en: A.J. Vijverberg, 2006. Biological
pest control in Horticulture. Chronica Horticulturae 46 (4): 14-17.
40
overheersende opvatting, een intensieve toepassing van pesticiden en is daardoor onmogelijk
te combineren met biologische bestrijding.
De fruitteelt in de vollegrond
wordt uitgeoefend in een blijvend teeltsysteem. Natuurlijke
vijanden kunnen zich hier gemakkelijk vestigen. In de meeste gevallen is de opbrengst per
oppervlakte eenheid onvoldoende om een regelmatige introductie van natuurlijke vijanden
rendabel toe te passen. Geïntegreerde plaagbestrijding in deze sector betekent zodanig met
pesticiden omgaan dat aanwezige natuurlijke vijanden maximaal gespaard worden. Een
zodanig niveau van natuurlijke vijanden dat de toepassing van plaagbestrijding met
gewasbeschermingsmiddelen overbodig is, lijkt niet mogelijk. Incidenteel zal de regelmatige
toepassing van natuurlijke vijanden in de fruitteelt mogelijk blijven.
De
boomteeltsector
is gekenmerkt door een grote variatie aan gewassen en teeltsystemen.
Efficiënte toepassing van biologische bestrijders wordt daardoor bemoeilijkt. Boomteelt onder
glas bevordert de communicatie over en weer tussen bedrijven, die actief zijn in de boomteelt
en in de glastuinbouw. Dit, gevoegd bij de hoge opbrengst per oppervlakte eenheid, leidt tot
de verwachting dat biologische bestrijding in de boomteelt een langzame maar zekere groei
zal meemaken.
De
bloembollenteelt
is gekenmerkt door een fase waarin het plantmateriaal wordt
geprepareerd c.q. bewaard. Bewaring onder gecontroleerde omstandigheden (CA) biedt grote
voordelen om de kwaliteit te behouden. CA bewaring is ook een ideale omstandigheid om
plagen te bestrijden. De
champignonteelt
is gekenmerkt door een fase waarin het het
groeimedium onder nauw gecontroleerde omstandigheden geprepareerd wordt (pasteurisatie).
Ook deze fase is ideaal voor een (gedeeltelijke) ontsmetting. Ik verwacht om deze redenen
niet dat biologische bestrijding in deze beide sectoren veel zal toenemen.
Een aparte plaats neemt de
akkerbouw/groenteteelt vollegrond
in. In de meeste gevallen is de
opbrengst per oppervlakte eenheid hier laag. Volgens de boven aangehangen theorie zou dit
betekenen dat biologische bestrijding in deze sector niet van de grond komt. Er zijn echter een
aantal ontwikkelingen, welke deze theorie onderuit halen. In Frankrijk wordt op een grote
oppervlakte
Trichogramma
toegepast bij de bestrijding van de maïsboorder. In Nederland
wordt de steriele mannetjes techniek toegepast bij de bestrijding van de uienvlieg en worden
aaltjes gebruikt bij de bestrijding van slakken in spruitkool. Illustratief is een experiment met
de bestrijding van de zwarte vuilboomluis in aardappelen. Beperking van het insecticiden
gebruik met gelijktijdige toepassing van natuurlijke vijanden was succesvol. De toelating van
een selectief insecticide haalde de biologische bestrijding onderuit.
41
Uit de resultaten met biologische bestrijding, verkregen in de akkerbouw, zijn belangrijke
lessen te leren. Succes is heel goed mogelijk, ook bij een lage financiële opbrengst per
oppervlakte eenheid, maar het vereist veel zorg en blijvende aandacht. Behalve de extra
kosten, die biologische bestrijding met zich mee brengt, vereist het ook een
mentaliteitsomslag: vertrouwen in de methode, steun van de omgeving en geduld om het
resultaat in de loop der tijd te zien groeien.
Een succesverhaal is
biologische bestrijding in openbare ruimten en binnentuinen
. Op deze
plaatsen is de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen nauwelijks mogelijk. Plaagdieren,
vooral plaagdieren die honingdauw afscheiden, worden in de openbare ruimte als zeer
hinderlijk ervaren en moeten dus bestreden worden. Biologische methoden en pesticiden die
via het wortelstelsel toegediend worden, zijn hier de enige mogelijkheden.
Biologische gewasbeschermingsmiddelen en GNO′s hebben met biologische bestrijders
gemeen dat het middelen zijn, die in nichemarkten worden toegepast. Beide groepen middelen
biologische bestrijdingsmiddelen en GNO′s behoren tot de gewasbeschermingsmiddelen.
Deze middelen mogen daarom niet worden toegepast dan nadat de Europese Unie
toestemming verleend heeft om de actieve stof op de markt te brengen en de Nationale
Overheid bepaald heeft onder welke voorwaarden het middel in de handel gebracht mag
worden. Met een aantal, nu in de handel zijnde GNO′s heeft het bedrijfsleven deze
omslachtige en dure weg niet hoeven te bewandelen. Deze middelen zijn toegelaten op grond
van de RUB: Regeling Uitzondering Bestrijdingsmiddelen. Bij de herziening van de
bestrijdingsmiddelenwet 1962, die in voorbereiding is, zal deze regeling waarschijnlijk
verdwijnen. De Europese Commissie schat dat een dossier van een bestrijdingsmiddel
gemiddeld 50.000 pagina′s omvat en een voorbereidingstijd nodig heeft van 4½ jaar. Ik denk
dat de met de voorbereidingstijd van het dossier gepaard gaande kosten voor een middel,
bestemd voor een nichemarkt, nauwelijks op te brengen zijn. Verschraling van het aanbod ligt
daarom in de lijn van de verwachting. Dit ondanks de positieve verwachtingen die
onderzoekers uitspreken over nieuwe technische mogelijkheden voor biologische middelen.
42
Perspectief biologische plaagbestrijding
In `De menselijke maat. De aarde over tienduizend jaar′ ontwikkelt prof. Kroonenberg zijn
visie op de problemen rond de opwarming van de aarde.78 Hij betoogt daarin dat wij mensen
het vermogen verloren hebben (nog niet ontwikkeld hebben) om over een langere periode de
golfbewegingen in het klimaat te beschouwen. Zijn boek haal ik hier aan omdat het een
levendige beschrijving bevat van de variatie in ons biotoop en daarmee een illustratie is van
het enorme aantal mogelijkheden, dat daar aanwezig is, ook voor de biologische bestrijding.
Het is eigenlijk ook een antwoord op de sceptici die ik van tijd tot tijd ontmoet en betogen dat
biologische bestrijding uitsluitend voor een enkele nichemarkt goed is en in de `grote
culturen′ nooit wat wordt. Hij schrijft in zijn boek:
In een bospapaja hangt een drietenige luipaard, een grappig plat kopje met twee witte stipjes boven zijn ogen
zodat hij wel vier ogen lijkt te hebben:
fo-ai loiri
noemen de bosnegers hem. Luiaards brengen het grootste
deel van hun leven door in boomkruinen. Hun haar heeft een speciale structuur met overlangse groeven. In de
groeven groeien drie soorten groenwieren, waardoor de pels een groen uiterlijk krijgt. In de pels leven ook zes
soorten mijten, drie soorten kevers (in totaal op één luiaard 978 kevers) en drie soorten motten, waarvan er
een zijn hele leven daar doorbrengt. De larven van deze mot voeden zich met algen. Regelmatig daalt de
luiaard af naar de voet van de boom om daar op een vaste plaats te poepen. Op dat moment vliegen de
volwassen vrouwelijke motten van een van de andere soorten uit de pels naar de hoop mest om daar hun eitjes
te leggen. De larven leven in de mest en als ze verpopt zijn vliegen ze naar de pels van een luiaard zodra die
in de buurt komt.
Vlasteelt in België rond 1940 (vnl. West- Vlaan-
deren). Een van de teelten die in onze streken
sterk in betekenis is teruggelopen.79
78
Kroonenberg, S., 2006. De menselijke maat. De aarde over tienduizend jaar. Atlas, Amsterdam.
79
Bockstaele, L., 1976. 50 Jaar land- en tuinbouwbeleid. Provincie West-Vaanderen, Brugge.
43
De rol van de voorlichting
In het traditionele beeld van velen is voorlichting het proces waarin kennis vanuit het
onderzoek naar de praktijk wordt doorgegeven via een intermediair: de voorlichting. De
ervaringen van velen, die met voorlichting (kennisoverdracht) bezig zijn of geweest zijn, leren
beter. Kennis is vaak nieuwe dingen op het ene bedrijf horen en de daarbij verkregen kennis
gebruiken om beter kennis te kunnen verspreiden naar andere bedrijven. Een modern beeld
van de rol van kennisverspreiding (kennisontwikkeling) is gegeven in de volgende figuur.
Echte innovatie, echte ontwikkeling komt meestal tot stand in wisselwerking tussen
wetenschap en praktijk. Dat geldt ook voor het terrein van de biologische- en de geïntegreerde
gewasbescherming.
onderzoek
Voorlichting (toeleveringsbedrijven)
Praktijk
Het ideale kennissysteem. De getrokken pijlen duiden op de klassieke, hiërarchische kennisrelaties. De
gestreepte pijlen duiden op de informele, effectieve contacten tussen de drie genoemde partijen. Binnen de
praktijk is sprake van een intensief netwerk van kennisontwikkeling, gesymboliseerd door de ovalen.80
Wat betreft de voorlichting op het terrein van de geïntegreerde bestrijding hebben onze leden-
handelsbedrijven een belangrijke rol. Goed advies op het terrein van geïntegreerde bestrijding
vereist kennis en inzicht op de volgende terreinen:
Kennis op het terrein van de teelt.
Economisch inzicht in de bedrijfsvoering.
Kennis van de ziekten en plagen en tenslotte:
80 Vijverberg, 1996. t.a.p.: blz.143.
44
kennis op het terrein van de verschillende bestrijdingsmogelijkheden, vooral ten aanzien van
de effecten van gewasbeschermingsmiddelen en biologische bestrijders.
De ervaring in de afgelopen tien jaar heeft mij geleerd dat bij de
tuinbouwtoeleveringsbedrijven een schat aan ervaring en kennis aanwezig is op deze
terreinen. De praktische gerichtheid van de teeltbegeleiders gecombineerd met de kennis van
gewasbeschermingsmiddelen en biologische bestrijders maakt deze groep tot welhaast de
ideale groep om geïntegreerde bestrijding te promoten.
`Noblesse oblige′ zegt een Frans spreekwoord. Als tuinbouwtoeleveringsbedrijven op het
terrein van geïntegreerde gewasbescherming een sleutelrol vervullen moet het ons ook wat
waard zijn om die positie te handhaven. Ik denk dat drie punten hierbij wezenlijk zijn, nl.:
Een blijvende oriëntatie op de praktijk. Die oriëntatie moet voldoende kritisch zijn.
Waarnemingen vanuit de praktijk dienen geverifieerd en theorieën in de praktijk kritisch
getoetst te worden aan het eigen inzicht. Een teler die `een goed gevoel heeft bij een bepaalde
behandeling′ vormt onvoldoende basis om een toepassing te adviseren. Ik heb niet de
overtuiging dat
Artemis
altijd voldoende kritisch staan tegenover nieuwe vindingen, nieuwe
beweringen van de praktijk. Ook de vakpers vormt niet altijd een vast baken voor de ontwik-
keling. Zonder kritische noten worden in de vakbladen nogal eens twijfelachtige dingen
beweerd.
Blijvende oriëntatie op de wetenschap en nieuwe wetenschappelijke vindingen. De
ontwikkeling in de wetenschap gaat snel. De mogelijkheden van morgen over het hoofd zien
kost veel geld. Dat geldt ook als de mogelijkheden van overmorgen omarmd worden als
zijnde die van morgen. Ik heb in het begin van mijn loopbaan als voorzitter die fout wel eens
gemaakt. In 1998 wees ik in voorzichtige bewoordingen op de mogelijkheid van
parthenocarpe vruchtzetting bij tomaat.81 Ik zou nu bijna tien jaar later dezelfde woorden
gebruiken als toen. Dat betekent dat ik toen de ontwikkeling in relatie met het gebruik van
hommels verkeerd ingeschat heb.
Blijven investeren in het menselijke kapitaal van het bedrijf. Voor de productiebedrijven /
leden van Artemis is eigen wetenschappelijk onderzoek onontbeerlijk. Naar mijn mening
kunnen ook de handelsbedrijven niet buiten een R&D afdeling indien zij in de toekomst mee
willen blijven doen.
81 Vijverberg, A.J., 1998. Bestrijding en bestuiving in de volgende eeuw en de rol van Artemis. In: A.Vijverberg
(red.) Biologische bestrijding en bestuiving in de glastuinbouw. Een blik vooruit vanuit de geschiedenis.
Eburon, Delft: 21-27.
45
Larve van het lieveheersbeestje (foto Entocare).
46
Besluit
De economie, zo leerden we vroeger, kent drie productiefactoren, nl. natuur, arbeid en
kapitaal.
De natuur als productiefactor komt bij voorbeeld tot uiting is het weiland, in het Groene Hart.
Datzelfde weiland is ook een consumptiegoed. Het is de natuur die door de recreant maar ook
door de boer als een aangenaam consumptiegoed ervaren wordt. De natuur heeft er dus een
tweede functie bij gekregen, nl. die van consumptiegoed.
Eigenlijk geldt dat voor kapitaal ook. Het hebben van vermogen geldt voor velen als een
verlener van status. Het geeft `sociaal inkomen′. Bezit (kapitaal) is dus geëvolueerd van
uitsluitend productiefactor tot een factor die zowel belangrijk is in de productie als in de
consumptie. Misschien is het nog beter om niet van evolutie van de factor kapitaal te spreken
maar van bewustwording. Wij zijn ons bewust geworden van het feit dat kapitaal (bezit) altijd
al sociaal aanzien gaf en dus altijd al een `consumptiegoed′ was.
En hoe zit het dan met de laatste productiefactor: arbeid?
Over arbeid als consumptiegoed is recent een interessante beschouwing gepubliceerd.82
Hierin wordt uitgesproken wat wij eigenlijk allemaal wel weten: arbeid is meer dan geld
verdienen. Of anders gezegd: arbeid is meer dan een productiefactor die wij voor geld
verkopen aan een onderneming of organisatie. Arbeid is ook een factor die ons sociale
contacten oplevert. Door arbeid te verrichten krijgen wij het gevoel nuttig in de maatschappij
bezig te zijn. Mensen vervelen zich niet, ze hoeven geen kattenkwaad uit te halen (jongeren)
noch hoeven zij achter de geraniums plaats te nemen (ouderen).
Ik ben Artemis dankbaar voor het feit dat zij mij de gelegenheid gegeven heeft om negen jaar
voor deze vereniging te werken. Negen jaar betekent ruim 10% van mijn leven. Dat is heel
wat! Ik heb een grote vrijheid gekregen om die functie op een geheel eigen wijze in te vullen
en dat heb ik ook gedaan.
De velen die mij de afgelopen negen jaren geholpen hebben in en rond deze functie dank ik
hartelijk. Die dank geldt de leden van het bestuur, de technische commissie, de
wetenschappelijke commissie, de werkgroep `Gewasbeschermingsmiddelen van Natuurlijke
Oorsprong′ en de werkgroep `Biologische Bestrijders en Bestuivers′. Heel bijzondere dank
gelden Marianne van der Zijpp, de (bijna) onverbeterlijke secretaresse van Artemis en Mia,
mijn vrouw, die mij in dit werk altijd gesteund heeft.
82 Heertje, A., 2006. Echte economie. Een verhandeling over schaarste en welvaart en over het geloof in
leermeesters en
lernen
. Annalen van het Thijmgenootschap 94: 4.
47
Ik wens mijn opvolger een boeiende periode toe. Insecten en overheden zullen altijd
problemen blijven veroorzaken. Aan de oplossing van die problemen te mogen werken heb ik
als een genoegen ervaren.
We zitten hier op ons gemak
Tevreden met een pijp tabak
Een glaasje samen drinken
Men voelt hier zich zo vrij en blij
Hoe ruim en helder in ′t verschiet
Als men zoo noordwaarts henen ziet
Ver buiten wad en stranden
′t Gebied der wintervorst ligt daar
Men vindt er rups noch ambtenaar
Een groote plaag in vele landen.83
Het scheppen van nieuwe mogelijkheden bij de bestrijding van schadelijke insecten in Land- en Tuinbouw zal in
ons land op de duur slechts mogelijk zijn, indien, meer dan thans het geval is, aandacht wordt geschonken aan
de fundamentele physiologische en oecologische problemen, die zich hierbij voordoen.
Stelling XII bij het proefschrift van Jan de Wilde getiteld: Onderzoekingen betreffende de koolvlieg
(
Chortophila brassicae
BCHÉ) en zijn bestrijding. UvA, 1947.
83 Marten Douwes Teenstra (1848) dichtte dit werk in de bovenzaal van het waarhuis in Noordpolderzijl. Deze
bovenzaal kijkt uit op de Waddenzee. In: IJ Botke, 2002. Boer en heer. `De Groninger boer′ 1760-1960.
Groninger Historische Reeks 23: 266.
48
Boskoopse kwekerij. Schietramen op de voorgrond. Elk raam met drie
roeden en vijf ruiten op een rij (Wiersma, 1918).
Kommentare
Bisher keine Kommentare
Andere Nutzer haben sich auch für folgende Titel interessiert:
Formatvorlage / Vorlage für eine Diplomarbeit - Formatvorlage / Vorlage für eine Hausarbeit für Microsoft Word
Autor: GRIN VerlagVorlagen, Muster, Formulare, Infobroschüren, 2005 Als PDF-Datei downloaden für 6,99 EUR
Formatvorlage / Vorlage für eine Diplomarbeit - Formatvorlage / Vorlage für eine Hausarbeit für OpenOffice.org
Autor: GRIN VerlagVorlagen, Muster, Formulare, Infobroschüren, 2005 Als PDF-Datei downloaden für 9,99 EUR
Formatvorlage zur Erstellung einer Diplomarbeit / Vorlage zur Erstellung einer Hausarbeit
Autor: Marco FeindlerVorlagen, Muster, Formulare, Infobroschüren, 2005 Als PDF-Datei downloaden für 6,99 EUR
Formatvorlage / Vorlage für eine Diplomarbeit / Hausarbeit
Autor: GRIN VerlagVorlagen, Muster, Formulare, Infobroschüren, 2008 Als PDF-Datei downloaden für 6,99 EUR
Anleitung zum Erstellen schriftlicher Arbeiten: Der Aufbau einer wissenschaftlichen Arbeit
Autor: Zoran ZivkovicVorlagen, Muster, Formulare, Infobroschüren, 2004 Als PDF-Datei downloaden für 5,99 EUR
Erstellen einer schriftlichen Hausarbeit
Autor: Claudia NickelVorlagen, Muster, Formulare, Infobroschüren, 2006 Als PDF-Datei downloaden für 4,99 EUR
Grundtechniken wissenschaftlichen Arbeitens
Autor: Maik PhilippVorlagen, Muster, Formulare, Infobroschüren, 2004 Als PDF-Datei downloaden für 5,99 EUR
Ratgeber zur Erstellung wissenschaftlicher Arbeiten. Diplomarbeiten - Hausarbeiten - Seminararbeiten
Autor: Mark RichterVorlagen, Muster, Formulare, Infobroschüren, 2008
Dieser Text kann über folgende URL aufgerufen und zitiert werden: