Dirck Volckertszoon Coornhert. “Apologeet van de verdraagzaamheid”


Seminar Paper, 2013
17 Pages, Grade: 1,3

Excerpt

Inhoud:

1 Inleiding

2 Coornherts denkbeelden over de verdraagzaamheid en hun theoretische bronnen

3 De maatschappelijke betekenis van de verdraagzaamheid in Nederland in de tijd van Coornhert en het daaraan aansluitende tijdperk

4 Conclusie

Literatuurlijst

1 Inleiding:

Dirck Volckertszoon Coornhert is een „apologeet van de verdraagzaamheid” worden ge­noemd.[1] In deze scriptie wil ik allereerst onderzoeken wat de theoretische bronnen van Coornherts denkbeelden over verdraagzaamheid zijn. Daarna wil ik verder on­der­zoe­ken, hoe deze omstandigheid hem met de Nederlandse maatschappij en met de Neder­landse literatuur van zijn tijd verbindt – de tijd waarin Nederland in de 16e eeuw in zijn op­stand tegen de Spaanse heerschappij zijn onafhankelijkheid behaalde en waarin de grond­slagen voor het navolgende gouden tijdperk van Nederland in de 17e eeuw wor­den gelegd. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat op grond van zekere maatschappelijke randvoorwaarden aan de verdraagzaamheid in de Nederlandse maatschappij van dit tijd­perk een hoge waarde toekwam, wat zich dan ook in de Nederlandse literatuur van dit tijdperk zou moeten weerspiegelen. Zo zou aan het eind van het werkstuk het uitkomst kunnen zijn dat de verdraagzaamheid een wezenlijke omstandigheid is waardoor Coorn­hert – ondanks alle bijzonderheden van zijn persoon en zijn werk voor het overige – is ingebonden in zijn tijd en in de rij van grote Nederlandse schrijvers van deze tijd.

2 Coornherts denkbeelden over de verdraagzaamheid en hun theoretische bronnen

Beschrijvingen waarin de betekenis van de verdraagzaamheid voor Coornhert tot uit­drukking komt, luiden bv.:

[A]ltijd onderscheidt Coornhert zich door … zijn principiële verdraagzaamheid … Coornhert … was een principieel voorstander van godsdienstvrijheid: men kan met andersdenkenden debatteren op grond van argumenten, in de hoop dat zij hun dwalingen zullen verlaten, maar een ander geloof mag nooit worden onderdrukt of vervolgd. De geestelijke strijd voor tolerantie beschouwde hij als het belangrijkste doel van zijn leven. … Ieder mens, aldus Coornhert, wil zijn geloof vrij kunnen bezitten, belijden en verbreiden. Volgens de ‘wet van de natuur’ heeft niemand het recht om aan anderen die vrijheid te ontzeggen. De volledige geestelijke strekt zich bij Coornhert ook uit tot atheïsten … Het spreekt vanzelf dat Coornhert de scheiding van kerk en staat voorstaat … ‘Mag iedereen dan maar geloven wat hij wil?’ vraagt Coornherts vriend Spiegel. Coornhert antwoordt: ‘Ja, want anders moet hij geloven wat een ander wil!’[2]

– en er zijn nog vele andere gelijksoortige karakteriseringen van hem te vinden.[3]

Wat deze voorbeelden al duidelijk laten zien is dat verdraagzaamheid in de tijd van Coornhert in het algemeen, maar ook in het gedachtesysteem van Coornhert in het bijzonder, in het wezenlijke is gelijk te stellen met verdraagzaamheid in godsdienstige kwesties,[4] de toen bijna alles bepalende kwesties die beslissend waren voor de vragen over oorlog of vrede en het ontstaan of ondergaan van rijken. Eventuele maat­schap­pe­lijke gevolgtrekkingen[5] zijn daarom in de letterlijke zin daadwerkelijke gevolg­ trek­kin­gen.

De bedoeling van deze scriptie is nu niet alleen of in de eerste plaats beschrijvin­gen van Coornhert als een apologeet van of strijder voor de (vooral godsdienstige) ver­draag­zaamheid te refereren, maar te onderzoeken hoe Coornhert tot deze positie is ge­ko­men, met andere woorden: wat zijn theoretische bronnen ervoor zijn.

Hoe het grote aantal van benamingen[6] al suggereert, blijken de algemene geestige in­vloe­den en theoretische bronnen van Coornhert nogal talrijk te zijn. Daaruit resulteert niet alleen dat hij “weinig … bij één bepaalde stroming thuishoort … Het is niet moge­lijk om hem onder te brengen bij één of meer richtingen”.[7] Dat is ook de wezenlijke re­den ervoor dat hij een heel unieke positie inneemt, “omdat het gebouw van zijn denk­beel­den, samengesteld uit vele elementen, ontleend aan vele denkers, in de harmonische een­heid een sterk persoonlijk karakter draagt”.[8]

Een schetsmatige samenvatting van Coornherts algemene inspiratiebronnen geven Kuiper en Verkruijsse:

Zijn studie van het Latijn en de Latijnse letteren verleende hem toegang tot de humanistische en theologische wijsheid van zijn dagen. Door het spiritualisme gegrepen, raakte hij zeer afkerig van de gevestigde kerken en van de grote reformatoren. Hij dweepte met de Theologia Deutsch, een mystiek devoot geschrift dat hij vertaalde; had sympathie voor Sebastiaan Franck, het bijbels hu­ma­nisme van Erasmus, de verkondigers van de verdraagzaamheid (o.a. Sebastien Castellion). Te­gen libertijnen, pantheïsten en neostoïcijnen polemiseerde Coornhert echter met heftigheid, even­als tegen de calvinistische predestinatie- en genadeleer (Vande predestinatie, verkiesinghe en de verwerpinghe Godes, 1589) en de intolerante staatkundige ideeën van Justus Lipsius, tegen wie Coorn­hert Proces van 't ketterdooden (1590) richtte. De familisten van het Huis der Liefde (Hen­drik Niclaes) hadden aanvankelijk zijn sympathie; later polemiseerde hij met hen. Daartegenover nam hij de rooms-katholieke eredienst in bescherming op grond van de indifferentie en on­be­lang­rijkheid van uitwendige dingen (Verschooninge van de Roomsche afgoderye, 1560).[9]

Wat nu in concreto de specifieke bronnen van Coornherts denkbeelden over de ver­draagzaamheid betreft, wil ik in overeenstemming met de opvatting van Bonger wie persoonlijk het “Christelijk geloof” – ondanks de humanistische invloeden op Coorn­herts gedachtesysteem –[10] “centraal … in [Coornherts] persoon” ziet,[11] het christelijke mo­tief der naastenliefde op de eerste plaats stellen.[12] Wel te verstaan: christelijk, niet ker­ke­lijk of confessioneel, want de (Rooms-katholieke, calvinistische, lutherse of an­de­re) kerken of confessies

eisen allen vrijheid van godsdienst waar zij die niet bezaten, maar zo gauw zij hun godsdienst moch­ten uitoefenen weigeren zij aan anderen de rechten die zij zelf geëist hebben. Wij zullen zien dat naarmate de profetische openbaringsinstelling der kerken groter is, de mate van verdraagzaam­heid afneemt.[13]

Een in deze samenhang in zijn betekenis helemaal niet te onderschatten detail zou de om­standigheid kunnen zijn dat de naastenliefde een nieuwtestamentisch concept is ter­wijl “de onverdraagzamen hun motieven meer aan het Oude Testament ontlenen, met de ge­strenge Mozaïsche wetten, dan uit het Nieuwe Testament, waarin Christus' liefde over­heerst“.[14]

Godsdienstvrijheid voor zichzelf eisen (passief tolerant zijn), dat konden allen. Met Coornherts woorden:

Elck wil des anders geloof regeeren.

Dit doen, diemen voormaels sagh leeren

Dat sulcks den Christen niet betaemt:

Maer so ootmoedigh was haer ghedaght

Alst nogh onder 't Cruys lagh sonder macht,

Nu thoonet syn maght onbeschaemt.[15]

Coornhert wilde meer:

So ick... weet dat ick so gaerne allen anderen jonne vrijheyt in den oeffeningen oft exercitiën van haren gelove ('t geloof self mach niemant dwingen) als ick ongaerne in sulcx, hetzij dan ver­bie­den­der of gebiedender wijze van yemandt daerinne gedwongen soude wesen.”[16]

Hij wilde de godsdienstvrijheid aan allen verlenen (actief tolerant zijn), en stond met deze “eis van volkomen godsdienstvrijheid, evenals vele denkers der 16e eeuw, waar­on­der Franck, Schwenckfeld, Castellio, Bodin, Acontius, Denck, allen stiefkinderen van het Christendom”, buiten de grote institutionaliseerde kerken.[17]

Een Bijbelse bron die de houding van Coornhert steunt, is vooral Handelingen 5, 38 en 39 waarin de wetsleraar Gamaliël in opzicht met de apostelen de tolerante uit­spraak doet: “...laat hen begaan, want als het mensenwerk is wat ze nastreven, zal het op niets uitlopen, maar als het Gods werk is, zult u niets tegen hen kunnen uitrichten ...”.[18]

De bijzondere betekenis van dit Bijbelplaats voor Coornhert wordt ook duidelijk ge­zien de omstandigheid dat Coornhert zichzelf in zijn “majestueuze, dialectische ge­schrift”[19] Synodus van der conscientien vrijheydt [20] als “Magister consortium reformato­rum” genaamd Gamaliël portretteert. In dit boek gaat het over een vergadering van re­pre­sentanten van verschillende godsdiensten in 1582 in de fictieve “Stede van Vry­burgh” die daar over de vrijheid van consciëntie (gelijk godsdienst) debatteren. De the­sen, de antithesen en de samenvatting door de vicevoorzitter Jezonias zijn voor de afwe­zi­ge voorzitter – deze voorzitter is God zelf – bepaald “die te zijner tijd uitspraak zal doen wie gelijk had in zijn denkbeelden”.[21]

De kwintessens van het boek is dat uiteindelijk God alleen diegene is, die oor­de­len kan over de vragen van het rechte geloof. De mensen zijn daartoe niet in staat,[22] en daar­om mag ook niemand om zijn geloof wegen worden vervolgt. Op aarde is het de en­ke­le mens zelf die in geloofsvragen het zeggen moet hebben:

Het gaet alle de volcke aen, het geldt alder menschen zielensaligheyt. Alle menschen hebben hier dan oock zeggen inne. Want een van beide moet zijn in dese sake van de Religie. Dat is men moet het volc geweldelyck dwingen al te gheloven dat den Predicanten goet dunckt of men moet ze daertoe vrindelyck aenlocken door onderwysinghe.[23]

Als alleen God een zeker oordeel geven kan moeten de mensen ook daarom terughou­dend zijn om niet vrienden samen met vijanden te raken: “Alsoo 't veele beter is, de vrunden te sparen, dan mette vijanden oock die vrunden doodt te slaen”.[24]

Zolang mensen hun feilbare beslissingen moeten treffen, zou de gevaar van dwa­lin­gen op de koop toe te nemen zijn: “So nu alle doolinghe dootwaerdigh ende ver­doe­melyck waer, wie soude voor 't swaert ende de Helle vrijblijven? Weet yemant meer dan ander, die dancke God ende ghebruycke die gave ende dat tot zijns naesten beteringhe, niet verdervinghe.”[25]

In dezelfde directie als de Gamaliël-Bijbelplaats wijst de parabel van het onkruid uit Matteüs 13, 24 – 30:

Het is met het koninkrijk van de hemel als met een mens die goed zaad op zijn akker uitzaaide. Ter­wijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand onkruid tussen het graan zaaien en vertrok weer. Toen het jonge gewas opschoot en vrucht begon te dragen, kwam ook het onkruid tevoorschijn. De knech­ten kwamen de heer des huizes vragen: “Heer, hebt u soms geen goed zaad op uw akker ge­zaaid? Waar komt dat onkruid dan vandaan?” Hij antwoordde: “Dat is het werk van een vijand.” De knechten zeiden tegen hem: “Wilt u dat wij er het onkruid tussenuit wieden?” Hij antwoordde: “Nee, want dan zouden jullie met het onkruid ook het graan lostrekken. Laat beide samen op­groeien tot aan de oogst, dan zal ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen: ‘Wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het. Breng dan het graan bijeen in mijn schuur.

“Op deze parabel beroepen zich alle verdraagzamen, het is dus niet te zeggen van wie Coorn­hert deze tekst in die zin overneemt, het zou van Erasmus kunnen zijn, maar ook van Cyprianus, Hieronymus of van een der vele anderen.“[26]

Uit de bovengenoemde Bijbelplaatsen komt niet alleen voort dat maar God het zekere en juiste oordeel kan treffen, maar ook dat de waarheid uiteindelijk zal overwinnen, en dat het daarom “ nutteloos en klein [is] om te vervolgen, ook daarzonder zal zij ge­win­nen. Zij kan zichzelf beschermen en heeft geen mensenhulp daarbij nodig. ... die ge­dach­te [komt] bij allen die over de tolerantie hebben geschreven, teruggaande op de uit­spraak van Gamaliel, voor ...”[27] In de woorden van Coornhert:

Zo werdt zy wel dickmaal ghedruckt, maar nemmermeer verdruckt. Want gheen stalen zwaerd en magh haar raken, ende de duystere loghen magh haar licht niet van by ghenaken. Des loghens Ne­vel verdwynt, zo waar des waarheyds glants verschynt.[28]

[...]


[1] Zie Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam (navolgend: UBA), Coornhert.

[2] Bonger/Gelderblom, “Nawoord”, p. 116, 119 en 120.

[3] Zie UBA, Coornhert: “Dirck Volkertszoon Coornhert … heeft zich … ingezet voor een zeer ruime op­vat­ting van godsdienstvrijheid, ook op de politiek meest precaire momenten … Even nuchter als prin­ci­pieel legde hij alle nadruk op het persoonlijke karakter van de geloofservaring: geloof is ‘vrij’, wordt in vrijheid aanvaard, vormgegeven en uitgeoefend en kan strikt genomen dan ook niet afgedwongen wor­den. De overheid moet zich daarom niet met de kerken (meervoud!) bemoeien, tenzij om ver­draag­zaamheid te garanderen. … Tot zijn laatste dagen bleef hij van leer trekken tegen de ‘nieuwe ge­we­tens­dwang’ … en bracht onophoudelijk de betekenis van ‘godsdienstvrijheid’ en ‘religievrede’ in herinnering … .”

Zie verder

Bonger, “Inleiding”, p. 14: “Volgens eigen zeggen wordt de verdediging van de godsdienstvrijheid, nu voor­al gericht tegen de groeiende gereformeerde onverdraagzaamheid, zijn levenstaak”,

Gelderblom/Meijer Drees: “Boeventucht”, p. 10: “... deze strijder voor godsdienstvrijheid …”,

Kuiper/Verkruijsse, “Coornhert”, p. 146: “... had sympathie voor … de verkondigers van de ver­draag­zaam­heid ...”,

Laan, Letterkundig woordenboek, p. 101: “In een zeer lange reeks van geschriften heeft hij ... vrijheid van gedachte geëist voor iedereen.”

Porteman/Smits-Veldt, Een nieuw vaderland, p. 97: “... een man die een afkeer had van elke geloofs­dwang.” en p. 104: “Coornhert verwoordde een gedachte die toen vaak werd benadrukt: vrijheid van gods­dienst en politieke vrijheid hangen samen en zijn voorwaarden voor welvaart.”

Anders weliswaar Busken Huet (Het land van Rembrand, p. 73) wie vanwege de heftige aard van Coorn­hert van mening was dat “de opkomst der verdraagzaamheid door hem eer tegengewerkt dan be­vor­derd is”.

[4] Zie in zoverre bv. de kenmerkende titel van hoofdstuk IV, “Zijn denkbeelden over de godsdienstige ver­draagzaamheid” in Henk Bongers biografie over Coornhert, Dirck Volckertszoon Coornhert, p. 65 – 88 (benadrukking alleen hier).

[5] Vgl. bv. Bonger/Gelderblom, „Nawoord“, p. 120: “Het spreekt vanzelf dat Coornhert de scheiding van kerk en staat voorstaat. Geen enkele regering heeft het recht om ‘een uit de grote hoop te verdedigen met het zwaard, tot vernieling van alle anderen’. Wél heeft de magistraat de taak om orde en rust te hand­haven als kerkelijke twisten uitlopen op wetsovertredingen“ en UBA, Coornhert, zo als ge­citeerd boven in voetnoot 3.

[6] Vgl. bv. Bonger, Dirck Volckertszoon Coornhert, p. 39: “Hij is ‘Libertijn’ of ‘Spiritualist’, ‘christelijk humanist’, ‘Mysticus’, ‘Stoïcijn’, ‘Nationale Renaissancist’, ‘Neutralist’, ‘Subjectivist’, Siegenbeek noemt hem ‘de Socrates en Cicero van Nederland’; ik vermoed dat het aantal benamingen het getal vijftien te boven gaat.”

[7] T.a.p.

[8] T.a.p.

[9] Kuiper/Verkruijsse, “Coornhert”, p. 146 en 147. Vgl. ook Becker, “Inleiding”, p. XVIII – XXII. Een uit­diepend onderzoek van Coornherts algemene bronnen heeft Bonger voorgenomen, vgl. vooral het hoofd­stuk III “Zijn denkbeelden over godsdienst en Wel-leven” in Bonger, Dirck Volckertszoon Coorn­hert, p. 39 – 63.

[10] Vgl. in opzicht met de rangschikking van religie en humanisme in Coornherts gedachtewereld Bonger, t.a.p., p. 40: “Zeker, Coornhert was humanist, hij betrok de Oudheid in zijn gezichtsveld, vele klassie­ke elementen, vooral in zijn ethische en psychologische denkbeelden behoorden bij hem, maar zij wor­den beschouwd vanuit zijn Christelijk wezen, alleen in zoverre zij niet strijden met het Christen­dom, krijgen zij een plaats in zijn gedachtenwereld. Om hem dus als Stoïcijn te zien is onjuist. Zijn stre­ven was om de classieken harmonisch in te lijven in het Christelijk geloof. Zonder de denkbeelden van de Romeinse Stoa zou er nog veel van Coornhert over blijven, zonder de bijbel en de kerkvaders alleen een gedeelte van het geraamte van zijn moralistische denkbeelden ...”.

[11] In het geheel luidt de zin: “Alvorens te trachten zijn belangrijkste ideeën over God en godsdienst, over deugd en wel-leven te formuleren, moet er met nadruk op gewezen worden dat het Christelijk geloof centraal is in zijn persoon” (Bonger, t.a.p.).

[12] Vgl. Bonger, t.a.p., p. 67: “De Christelijke naastenliefde en het opkomend begrip omtrent de mense­lij­ke waardigheid, respect voor den denkenden mens en voor de oorzaken van zijn dwalingen is de dieps­te grond waarop de verdraagzame denkbeelden konden groeien”, evenals p. 86 en 87. In deze sa­men­hang behoort b.v. ook Coornherts aanhaling van Hiëronymus met de volgende woorden: “‘Wie zegt Christen te zijn moet... geen slagen geven maar slagen ontvangen” (vgl. Bonger, t.a.p., p. 80).

[13] T.a.p., p. 67.

[14] T.a.p., p. 83 en 84.

[15] Coornhert, W.W. II fol. 525 v.

[16] Coornhert, W.W. II inleiding voor fol. 1.

[17] Vgl. Bonger, t.a.p.

[18] Dit en alle volgende Bijbelplaatsen volgens de Nieuwe Bijbelvertaling.

[19] Bonger, t.a.p., p. 73.

[20] Coornhert, W.W. II fol. I v.v. Zie ook Bonger, t.a.p., p. 73, randnoot 19: “Zijn tol. denkbeelden behalve in de Synodus te vinden in de volgende geschriften: ‘Vanden aengheheven dwangh inder conscientien bin­nen Hollandt’ W.W. I f. 469 v.v.; ‘Bedencke vander Nederlanden noodt ende hulpe’ W.W. I f. 518. ‘Pro­ces van 't ketterdooden’ 2 dln. W.W. II f. 43 v.v., f. 114 v.v. ‘Verantwoordinghe van 't Proces’ W.W. III f. 479 v.v. ‘Wortel der Ned. oorloghen’ W.W. II f. 173 v.v. ‘Middel tot mindringe der secten’ W.W. III f. 394 v.v.; ‘Ruygh bewerp eender onpartijdiger kercken’ W.W. III f. 1 v.v.; ‘Schyndeught der Sec­ten’ W.W. III f. 341 v.v.; ‘Oordeelen van een ghemeen landts leere’ W.W. I f. 461 v.v.; ‘Oogh water op ten etter des voor-oordeels...’ W.W. II f. 556 v.v.; ‘Zedekunst’ Boek IV cap. 7 (W.W. I f. 304, 305).

[21] Bonger, t.a.p.

[22] Vgl. Bonger, t.a.p.: “Uit de eerste zittingen der vergadering blijkt dan ook dat Gamaliel (Coornhert) noch het bewijs uit de oudheid der kerk, noch dat uit ‘der Vaderen schriften’, noch dat der ‘concilien’ of de ‘Exempelen der Ecclesiastieke Historiën’ of het bewijs ‘uyter Heidenen’ overtuigend acht om de ware kerk op te baseren.“

[23] Coornhert, „Van den aangheheven dwang der conscientien binnen Hollandt“, W.W. I f. 469

[24] Geciteerd volgens Bonger, t.a.p., p. 74.

[25] Geciteerd volgens Bonger, t.a.p., p. 75.

[26] Bonger, t.a.p., p. 75.

[27] T.a.p.

[28] Coornhert, Zedekunst, Van wellevens kunste IIII. Boeck, Sevenste hoofdstuck Vande waarheyd, alinea nr. 19 (p. 241) met randnoot: “Zo werdt zy ... verdruckt vgl. L. Vives, Satellitia N 92 (Opp. II, Bas. 1555, p. 102): Veritas premitur, non opprimitur. Zie ook Otto, Sprichwörter der Römer, N 1874. Hetzelfde gezegde in W.W. II 238v(ao1585).”

Excerpt out of 17 pages

Details

Title
Dirck Volckertszoon Coornhert. “Apologeet van de verdraagzaamheid”
College
University of Cologne  (Institut für Niederlandistik)
Course
Hauptseminar Ältere Literatur: Renaissancelyrik - Literatuur en burgermentaliteit in de 17e eeuw
Grade
1,3
Author
Year
2013
Pages
17
Catalog Number
V229790
ISBN (eBook)
9783656456667
ISBN (Book)
9783656456797
File size
530 KB
Language
Dutch
Tags
dirck, volckertszoon, coornhert
Quote paper
Dr. Georg Miebach (Author), 2013, Dirck Volckertszoon Coornhert. “Apologeet van de verdraagzaamheid”, Munich, GRIN Verlag, https://www.grin.com/document/229790

Comments

  • No comments yet.
Read the ebook
Title: Dirck Volckertszoon Coornhert. “Apologeet van de verdraagzaamheid”


Upload papers

Your term paper / thesis:

- Publication as eBook and book
- High royalties for the sales
- Completely free - with ISBN
- It only takes five minutes
- Every paper finds readers

Publish now - it's free