Bijzondere analyse van het appartementsrecht


Research Paper (postgraduate), 2011
23 Pages

Excerpt

Inhalt:

1. Inleiding
1.1 Begripsbepaling en situering
1.1.1 Situering
1.1.2 Verschillende soorten mede-eigendom
1.2 Beknopte historische kadering

2. Appartementsrecht: een geval van gedwongen mede-eigendom
2.1 Bespreking van de problematiek
2.2 Belangrijke punten uitgelicht
2.2.1 Hoofdzaak - bijzaak
2.2.2 Monisme - dualisme
2.2.3 Appartementsrecht vs. mandeligheid
2.2.4 Recht van natrekking

3. Appartementsrecht in het bijzonder
3.1. Bespreking van de problematiek en de toepasselijke wetgeving
3.2. Toepassingsgebied
3.3. Ontstaan van appartementsmede-eigendom
3.3.1 De statuten
- 3.3.1.1 De basisakte
3.3.1.1.a. Algemene toelichting
3.3.1.1.b. Vereisten
3.3.1.1.c. Inhoud
- 3.3.1.2. Reglement van mede-eigendom
3.3.1.2.a. Algemene toelichting
3.3.1.2.b. Inhoud
3.3.2 Reglement van orde
3.4. Beheer van de appartementsmede-eigendom
3.4.1 Vereniging van mede-eigenaars
- 3.4.1.1 De algemene vergadering
3.4.1.1.a. Algemene bespreking
3.4.1.1.b. Bevoegdheden
- 3.4.1.2 De syndicus
3.4.1.2.a. Algemene bespreking
3.4.1.2.b. Bevoegdheden
- 3.4.1.3 Raad van mede-eigendom
3.4.1.3.a. Algemene bespreking
3.4.1.3.b. Bevoegdheden
- 3.4.1.4 Commissaris van de rekeningen
3.5 Nawoord

1. Inleiding

1.1 Begripsbepaling en situering

1.1.1. Situering

Het appartementsrecht[1] moet gesitueerd worden binnen het burgerlijk recht, m.n. in de onderafdeling zakenrecht. Men kan het beschouwen als de regelgeving omtrent een specifiek geval van mede-eigendom[2], dat op zichzelf geregeld wordt in het Burgerlijk Wetboek- titel II Eigendom, hoofdstuk III, artt. 577-2 tot 577-14 B.W. .

Mede-eigendom wordt door het Hof van Cassatie omschreven als "de eigendom van een zaak die ondeelbaar aan verscheidene personen toekomt"[3]. Het is aldus één van de verschijningsvormen van meervoudige eigendom[4], waar de eigendom van een zaak aan meerdere personen toebehoort, terwijl de zaak an sich materieel onverdeeld blijft[5].

1.1.2. Verschillende soorten mede-eigendom

Het begrip mede-eigendom kent verscheidene onderverdelingen. Vooreerst is er de vrijwillige mede-eigendom[6], waarbij twee rechtssubjecten bij wijze van contract zelf de mede-eigendom van een zaak in het leven roepen (bv. gemeenschappelijke aankoop van een terrein of een machine). Hierdoor verschilt het sterk van de toevallige mede-eigendom[7] ('gewone mede-eigendom'), die per definitie toevallig ontstaat en die dus niet uitgaat van het initiatief van twee partijen op basis van hun wilsautonomie. Door het onvoorspelbare karakter van deze figuur kan zich een ongewenste situatie voordoen. Art. 815 B.W. biedt dan ook een oplossing; 'Niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven, en de verdeling kan ten allen tijde worden gevorderd, (...)'. Veelal treft men toevallige mede-eigendom aan bij het openvallen van een nalatenschap, maar ook o.m. in de situatie van art. 573 B.W. waarbij een zaak vervaardigd is door vermenging van aan verschillende eigenaars toebehorende goederen.

Naast de collectieve eigendom en de multi-eigendom (time-sharing) is er ten slotte de gedwongen mede-eigendom[8]. Deze vorm van mede-eigendom is niét toevallig en dus meer georganiseerd en bovendien veel minder tijdelijk, aangezien de goederen in onverdeeldheid moeten blijven door hun structurele verbondenheid[9]. De verschillen voor de gedwongen mede-eigenaar met de toevallige mede-eigenaar zijn bijgevolg treffend: als gedwongen mede-eigenaar kan men niet naar eigen goedvinden over het persoonlijk aandeel in de gemene eigendom beschikken[10]. Uiteraard kan men wel vrijelijk op de privatieve delen zakelijke rechten vestigen of er over beschikken. De gedwongen mede-eigendom kent een uitgebreide toepassing in het dagelijkse leven, vnl. bij de gemene muur en het appartementsrecht, dat voorwerp uitmaakt van deze tekst.

1.2 Beknopte historische kadering

Een regeling omtrent mede-eigendom werd reeds sinds 1804 opgenomen in het B.W. De problematiek werd er enigszins stiefmoederlijk behandeld in slechts enkele verspreide artikelen (o.m. oud art. 664 B.W.[11] en art. 815 B.W). In de jaren twintig van de vorige eeuw drong zich echter een nieuw regelgevend kader[12] op door de explosie aan hoogbouw in België. Door de Wet van 8 juli 1924[13] probeerde men als één der eerste landen de problematiek aan te pakken[14]. Door deze wet werd het oud artikel 664 afgeschaft en art. 577bis B.W. geïntroduceerd dat de mede-eigendom inrichtte zoals men die vandaag de dag kent. Sindsdien kent de wet het onderscheid tussen de verschillende soorten mede-eigendom. De wetgeving was in principe te mager uitgewerkt, a.h.w. "enkel een skelet, waarrond de praktijk een lichaam heeft uitgebouwd, een perilegaal recht"[15]. Dit had een suppletoir karakter van de regelgeving tot gevolg en een uitgebreide aanvulling door de rechtspraktijk. De daaropvolgende wet van 30 juni 1994 hield sterk rekening met deze rechtspraktijk[16] en moderniseerde zodoende de wet van 1924 op verschillende vlakken, vnl. wat betreft het appartementsrecht. Nieuw was o.m. het toekennen van rechtspersoonlijkheid aan de vereniging van mede-eigenaars (VME, zie infra) en de tegenstelbaarheid aan de bewoners van de statuten en het reglement van orde. Expliciet heeft men ook melding gemaakt van het dwingend karakter van de wetgeving (art. 577-14 B.W.) Een voorlopige laatste stap naar een verdere modernisering werd gezet door de Wet van 2 juni 2010. Deze laatste wet, samen met de Wet van 30 juni 1994 op de Appartementsmedeëigendom zal als leidraad gebruikt worden.

2: Appartementsrecht: een geval van gedwongen mede-eigendom

2.1. Bespreking van de problematiek

De appartementsmede-eigendom valt onder de noemer van de gedwongen mede-eigendom, waarvan kort de problematiek hieronder geschetst wordt. De regelgeving ter zake vindt men in art. 577-2 B.W., §9 - §11 voor gedwongen mede-eigendom in het algemeen en in art. 577-3 B.W. t.e.m art. 577-14 B.W. voor 'gedwongen mede-eigendom van gebouwen en groepen van gebouwen', waaronder aldus het appartementsrecht. Art.577-2 B.W., §1- §8 handelt over de gewone (toevallige) mede-eigendom en valt buiten het bestek van deze tekst. De regels in deze passages gelden echter ook voor de gedwongen mede-eigendom indien er niets nader bepaald is in bv. bijzondere wetgeving (lex specialis derogat legi generali), en evenzeer voor de vrijwillige mede-eigendom in de mate dat de partijen er contractueel niet van zouden willen afwijken[17].

Het behoeft hier nogmaals de aandacht dat het appartementsrecht een dwingend karakter heeft[18] (cfr. infra). De partijen zullen dus niet op zelfstandige basis van enige wettelijke regeling kunnen afwijken zonder dat de wet dit nadrukkelijk expliciteert. Het is echter wel toegelaten af te wijken als men een strengere regeling invoert dan degene die wettelijk voorzien is[19]. Vroeger betrof het in beperkte mate wel aanvullend recht waarbij ook een soepele regeling kon ingericht worden. Aangezien de zakelijke rechten aan het numerus clausus-beginsel onderworpen zijn[20] en men er dus niet vrijelijk nieuwe kan creëren moet de mate van niet-dwingendheid destijds toch als marginaal beschouwd worden[21].

In het kader van de appartementseigendom heeft zich lange tijd mondiaal een doctrinaal probleem gesteld[22]. In België heeft men steeds gepoogd te redeneren vanuit een normale eigendomsconstructie volgens art. 544 B.W. met slechts één eigenaar. Nochtans zijn de verschillen treffend; in een appartement betreft het slechts 1 stuk grond met verschillende woonsten erop gevestigd boven elkaar. De woning is dus niet noodzakelijk rechtstreeks gebonden aan de grond. Daarnaast is er ook nog de problematiek van de zgn. gemeenschappelijke delen; enerzijds delen voor gemeenschappelijk gebruik (lift, trappenhuis, hal,...), anderzijds delen voor gemeenschappelijke gehechtheid van de constructie (funderingen, bep. muren, dak,..). Een verdeling van deze, zoals o.m. mogelijk is bij de toevallige mede-eigendom, is hier uitgesloten[23] ; omwille van de aard van de goederen, hun natuur, zullen de betrokken eigenaars een gedeelte in onverdeeldheid moeten houden. Een verdeling van een trappenhuis in een appartement bijvoorbeeld is praktisch ondenkbaar. Vóór de Wet van 1924 lag dit anders en kon dit juridisch eigenlijk niet het geval zijn; o.m. Laurent[24] wijst op het openbare orde karakter van art. 815 B.W. dat stelt dat niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven. Maar, in ex art. 577bis, § 9 B.W. (huidig art. 577-2, § 9 B.W. en geciteerd), ingevoerd in 1924, werd echter gesteld dat 'onverdeelde onroerende goederen die bestemd zijn tot het gemeenschappelijk gebruik van twee of meer onderscheiden en aan verschillende eigenaars toebehorende erven, zijn niet vatbaar voor verdeling'. Daarmee werd de kritiek van Laurent duidelijk van de baan geveegd en werd de stabiliteit van de figuur gedwongen mede-eigendom verhoogd.

2.2 Belangrijke punten uitgelicht

2.2.1. Hoofdzaak - bijzaak

Gedwongen mede-eigendom kan zich voordoen tbhv. een bijzaak of van een hoofdzaak. De gedwongen mede-eigendom tbhv. een hoofdzaak doet zich voor wanneer deze zaak tot een bepaalde groep in zijn algemeenheid toebehoort en in die zin onverdeeld is[25]. Voorbeelden zijn o.m. de grafkelder van een familie, of een familie-archief met bijvoorbeeld ere-tekens en briefwisseling van voorouders. Deze stukken worden veelal ook aan de gewone devolutie onttrokken[26]. Belangrijker is echter de gewongen mede-eigendom tbhv. een bijzaak. Het betreft 'onverdeelde onroerende goederen die bestemd zijn tot het gemeenschappelijk gebruik van twee of meer onderscheiden en aan verschillende eigenaars toebehorende erven' (art. 577-2, §9). Vóór de wet van 1994 kon men in deze passage nog duidelijk 'als bijzaak' lezen[27], dit werd echter geschrapt door een overvloed aan geschillen hierover[28]. De bijzaak wordt nauwkeuriger bestudeerd hieronder bij de bespreking van monisme en dualisme.

2.2.2. Monisme - dualisme

In de gedwongen mede-eigendom, m.n. de appartementsmede-eigendom zijn er twee verschillende benaderingen mogelijk, nl. de monistische en de dualistische. In het Belgisch recht wordt unaniem het dualistisch systeem aangewend[29]. In deze theorie maakt men het onderscheid tussen:

- privaat gedeelte: dit is de hoofdzaak, waar een volledig eigendomsrecht op gevestigd is. Andere zakelijke rechten (bv. vruchtgebruik) zijn in nevengeschikte orde uiteraard ook mogelijk, doch deze zijn steeds ondergeschikt aan het eigendomsrecht dat steeds aan iemand zal toebehoren. Het privaat gedeelte wordt aangeduid met de term 'kavel'.[30] Voor dit gedeelte is er sprake van dominium[31].

- gemeenschappelijk gedeelte: dit is de bijzaak (cfr. supra) waarop de mede-eigendom (condominium) geldt. Vandaar betreft het mede-eigendom tbhv. een bijzaak bij het Belgisch appartementsrecht. Het is onafscheidelijk verbonden aan de hoofdzaak, het is m.a.w. een accessorium van het privaat gedeelte. Zoals blijkt uit art. 577-2, §9 B.W. 'kan het aandeel in de onverdeelde roerende goederen (gemeenschappelijk gedeelte) niet overgedragen, met zakelijke rechten bezwaard of in beslag genomen worden dan samen met het erf waarvan het onafscheidbaar is'. Ingevolge dit artikel wordt in de rechtspraak aangenomen dat wanneer de hoofdzaak vervreemd wordt, onlosmakelijk ook de bijzaak vervreemd wordt. Ook de omgekeerde redenering geldt: men kan niet de bijzaak vervreemden aan een derde zonder ook de hoofdzaak over te dragen. Een tweede gevolg van dit artikel is dat wanneer een hypotheek gevestigd wordt op het privaat gedeelte (=de kavel), ook het aandeel in het gemeenschappelijk gedeelte bezwaard wordt.

Deze tweedeling privatief gedeelte - gemeenschappelijk gedeelte kan duidelijk afgeleid worden uit haar wettelijke grondslag, m.n. art. 577-3 B.W.: " (...) van toepassing op ieder gebouw of groep van gebouwen waarvan het eigendomsrecht tussen verschillende personen verdeel is volgens kavels die elk een privatief gedeelte en een aandeel in gemeenschappelijke onroerende bestanddelen bevatten."

De mede-eigenaar heeft recht op het gebruik en het genot van de gemeenschappelijke zaak, overeenkomstig haar bestemming en mits dit met het recht van de andere deelgenoten verenigbaar is.[32] Ter illustratie besliste bijvoorbeeld het Vredegerecht van Oostende dat de plaatsing van GSM-masten voor huuropbrengsten, zelfs met dekking van de algemene vergadering (voor begrip zie infra), niet boven de hoofden van 2 anderen mede-eigenaars mag geschieden.[33]

Er zijn vanzelfsprekend ook plichten gekoppeld aan het gebruiks- en genotsrecht op de gemeenschappelijke zaak. Een eerste plicht schuilt in het bovenvermeld art. 577-2, §5: door het gebruik mag het recht van de andere deelgenoten niet geschaad worden en er mag niet van de bedoelde bestemming worden afgeweken. Het is begrijpelijk dat het evenwicht sterk beschermd wordt in de beoogde woonvorm, daar het een essentieel bestanddeel is voor de leefbaarheid - men is tenslotte gedwongen tot elkaar. Een tweede plicht vindt men in art. 577-2, §9: de kosten voor het onderhoud, herstelling en vernieuwing moeten naar evenredigheid gedragen worden door de mede-eigenaars. Die evenredigheid kan een evenredigheid zijn naar de waarde van het privatief gedeelte of naar het nut dat de mede-eigenaar ervan heeft. Bijvoorbeeld: het nut van de lift in een appartementsgebouw zal kleiner zijn voor de personen op de gelijkvloers dan voor de bewoners op de bovenste verdiepingen. Moeten de lasten dan gelijk verdeeld zijn? De partijen zullen hier vrijelijk kunnen over beslissen. Ook een combinatie van waarde privatief gedeelte - nut voor mede-eigenaar is mogelijk.

Aan iedere appartementseigenaar (art. 577-3 B.W. heeft echter een ruimer toepassingsgebied, cfr. infra) wordt in een dualistisch systeem aldus een dubbel recht toegekend waarbij hij enerzijds volle eigenaar is en anderzijds mede-eigenaar van gemeenschappelijke voorzieningen en een gedeelte in de grond. In een monistisch systeem zoals in Nederland[34] (art. 106 NBW Boek 5) is de juridische constructie sterk verschillend.[35] In dat 'système unitaire' is het gehele gebouw inclusief de grond de hoofdzaak en voorwerp van mede-eigendom. Voor het private gedeelte geldt een genotsrecht, letterlijk een appartementsrecht geheten.[36] Een gelijkaardige monistische regeling komt ook in Zwitserland voor (art. 712 Z.G.B.) waar het appartementsrecht evenzeer een afzonderlijk zakelijk recht constitueert.

2.2.3. Appartementsrecht vs. mandeligheid

Zowel het appartementsrecht als de mandeligheid zijn een verschijningsvorm van de gedwongen mede-eigendom. De mandeligheid wordt geregeld in de artt. 653 - 673 B.W. onder 'gemene muur en gemene gracht'. Ook het Bos- en Veldwetboek maakt hier melding van in de artt. 32-34[37]. Het is een veel voorkomend gegeven en de toepassingen ervan zijn legio; het betreft bijvoorbeeld de muur die twee naburen gemeenschappelijk hebben, een gemeenschappelijke haag, een losweg, een gemeenschappelijke gracht, etc. De mandeligheid kent sterke gelijkenissen met het appartementsrecht. Zo kan bij beiden een verdeling van de gemeenschappelijke delen niet geëist worden door een van de partijen (vgl. supra: Laurent), strekt de gemeenschappelijke zaak tot voordeel van de partijen (vb. haag, lift), en worden de kosten gedeeld onder de gemeenschappelijke eigenaars (art. 655 B.W.).

2.2.4. Recht van natrekking

Belangrijk te vermelden voor deze hoofdzaak-bijzaak problematiek is de notie 'recht van natrekking'. Het recht van natrekking wordt beschreven in art. 546 B.W.: "de eigendom (...) van een onroerende zaak geeft recht op (...) hetgeen, hetzij natuurlijk, hetzij kunstmatig, als bijzaak ermee verenigd wordt. Dit recht wordt recht van natrekking genoemd." Art. 551 B.W. meldt dat "alles wat met de zaak verenigd wordt en één lichaam ermee uitmaakt, behoort de eigenaar toe". Aangevuld met art. 552 B.W. dat stelt dat "de eigendom van de grond de eigendom van hetgeen óp en ónder de grond is bevat" (vrij) kan men concluderen dat gebouwen geplaatst op een onroerend goed vermoed worden aan dezelfde eigenaar te behoren. Volgens het recht van natrekking is in principe de grond hoofdzaak en het gebouw bijzaak (accessorium sequitur principale/ superficies solo cedit)[38]. Nochtans leert het dualisme ons het omgekeerde; in het appartementsrecht is de grond accessoir aan het gebouw. Deze divergentie is echter geen probleem, daar het recht van natrekking geen absoluut dwingend recht is en er dus van af kan geweken worden. Dit blijkt uit art. 553 B.W.: de gebouwen op de grond van een erf worden vermoed door de eigenaar van de grond tot stand te zijn gebracht, tenzij het tegenovergestelde bewezen is. Dat 'tegenovergestelde' kan men dus perfect contractueel (voor een appartementsmede-eigendom in een basisakte, zie infra) vastleggen. Samen met de appartementsmede-eigendom wijkt ook het recht van opstal af van het recht van natrekking. Het opstalrecht is een zakelijk recht, dat de houder ervan toelaat op andermans eigendom te bouwen. In een arrest van 1988 bepaalde het Hof van Cassatie[39] dat iedere verzaking aan het recht van natrekking een vestiging van een opstalrecht inhoudt.

[...]


[1] R. TIMMERMANS, Appartementsrecht, Mechelen, Kluwer, 2008, 657 p.

[2] H. VANDENBERGHE, Beginselen van het Belgisch Privaatrecht, V, Zakenrecht, Boek III, Mede-eigendom, Leuven, E.Story-Scientia, 1997, 427 p. ; R. DEKKERS, E. DIRIX, Handboek Burgerlijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2005, P. 124

[3] Cass. 30 juni 1988, Arr. Cass. 1987-1988, p. 1445

[4] H. DE PAGE, R. DEKKERS, Traité élémentaire de droit civil belge, V, Brussel, Bruylant, 1975, nr. 1136

[5] O. CAMBRON, Traité théorique et pratique de la copropriété et de la division des maisons par étages ou par appartements, Brussel, Brian Hill, 1925, nrs. 23-26 ; H. Vandenberghe, o.c. , p. 6-7

[6] P. DE BEUS, Overzicht van het burgerlijk recht, Turnhout, Van Mierlo-Proost, 1969, nr. 448, 524-515, 1108 p.

[7] H. VANDENBERGHE, o.c., p. 8; P. DEHAN, La copropriété, Bruxelles, Bruylant, 1985, 329 p.

[8] H. VANDENBERGHE, o.c., p. 6-7

[9] Cfr. Cass. 22 mei 1975, Arr. Cass. 1975, I, p.1008: de bestemming van het goed mag niet veranderd worden.

[10] G. BELTJENS, Code Civil - II, Bruxelles, Bruylant, 1905, art. 544 nr. 16 ter, 59

[11] « Lorsque les différents étages d'une maison appartiennent à divers propriétaires, si les titres de propriété ne règlent pas le mode des réparations et reconstructions, elles doivent être faites ainsi qu'il suit : les gros murs et le toit sont à la charge de tous les propriétaires, chacun en proportion de la valeur de l'étage qui lui appartient (…) »

[12] R. TIMMERMANS, De appartementswet van 2 juni 2010, Mechelen, Kluwer, 2010, p. XV. N 16

[13] BS 13 juli 1924

[14] R. TIMMERMANS, het nieuwe appartementsrecht: de wet van 20 juni 1994, Mechelen, Kluwer, 1994, p.11

[15] Naar Prof. Dr. R. DEKKERS; Verslag Dhr. H. VANDENBERGHE, Parl. St., Senaat, 1993- 1994, nr. 712-2 (1992-1993) van 6 juni 1994, p.4

[16] Memorie van Toelichting, Gedr. St., Kamer 10 september 1991, stuk nr. 1756/1-90-91, 2. Er wordt in deze passage bijzondere hulde gebracht aan de notarissen, die de leemten in de Wet van 8 juli 1924 zeer goed wisten op te vangen.

[17] M.E. STORME, gedwongen mede-eigendom ten titel van een bijzaak (mandeligheid en appartementsrecht) - syllabus ten behoeve van het vak notarieel zaken- en contractenrecht, Gent, studentenuitgave, 2010-2011, p.8

[18] R. TIMMERMANS, "Enkele relevante begrippen van het appartementsrecht", in R. Timmermans., Splitsing en ondersplitsing van groepen van gebouwen en bijzondere appartementencomplexen, s.l., 2004, (XIV.D-13 - XIV.D-20), p.1

[19] H. CASMAN, Zakenrecht en zakelijke zekerheden, Brussel, studentenuitgave, 2008-2009 (ed. 2010), P.93

[20] R. DILLEMANS, Beginselen van Belgisch privaatrecht - V, Zakenrecht, goederen, bezit en eigendom, Mechelen, Kluwer, 1990, p.59

[21] "De wettelijke regeling inzake appartementsmede-eigendom was vroeger van aanvullend recht, zodat partijen bij overeenkomst geheel of gedeeltelijk konden afwijken van de regeling. Dit kon er natuurlijk niet toe leiden dat het appartementsstatuut kon worden toegepast op situaties waar aan de voorwaarden van art. 577bis, §. 11 B.W. niet werd voldaan" - H. VANDENBERGHE, Beginselen van het Belgisch Privaatrecht - V- Zakenrecht, Boek III Mede-eigendom, Leuven, E.Story-Scientia, 1997, p. 140

[22] Zie o.m. F. BAYARD-JAMMES, Nature juridique du droit du copropriétaire immobilier. Analyse critique, Parijs, L.G.D.J., 2003 (Fr) en R. TIMMERMANS, De appartementswet van 2 juni 2010, Mechelen, Kluwer, 2010, p. XV. N 31

[23] Bij toevallige mede-eigendom is verdeling wel mogelijk: B.DEGROOTE, Overzicht van het Burgerlijk Recht, Mechelen, Kluwer, 2005, P. 523 ; Volgens het Hof van Cassatie is rechtsmisbruik hierbij mogelijk: Cass. 3 juni 1977, Arr. Cass. 1977, p. 1027-1029

[24] F. LAURENT, Principes de droit civil, Brussel, Bruylant, 1878, nr. 482

[25] R. DEKKERS, E. DIRIX, Handboek Burgerlijk Recht deel 2, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 124

[26] E. GULDIX, Personenrecht, Brussel, studentenuitgave, 2010-2011, p. 83

[27] H. VANDENBERGHE, De nieuwe wet op de Appartementsmedeëigendom - referatenbundel van de studienamiddag van 4 november 1994, Leuven, Jura Falconis, 1995, P.13 en Verslag namens de Commissie voor de Justitie, Mevr. DE 'T SERCLAES, Gedr. St., Kamer, nr. 851-7, p.3

[28] Ch. ENGELS, "Krachtlijnen van de gedwongen mede-eigendom en de appartementsmede- eigendom" in X., De gedwongen mede-eigendom van gebouwen of groepen van gebouwen, Gent, Mys & Breesch, 1995, 6. Cfr. H. VANDENBERGHE, o.c., p. 71

[29] H. DE PAGE, R. DEKKERS, o.c., nr. 1137

[30] R. TIMMERMANS, Aandelen in appartementseigendom, Mechelen, Kluwer, 2002, p. 26

[31] M.E. STORME, o.c., p.8

[32] art.577-2 §5 B.W.

[33] Vred. Oostende (II) 29 juni 2000, TBBR 2000, p. 504

[34] C. ASSER, Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht: goederenrecht, zakelijke rechten, Amsterdam, Kluwer, 2002, p.396

[35] H.D. PLOEGER, Horizontale splitsing van eigendom - Ars Notariatus LXXXIII, Amsterdam, Kluwer, 1997, p.222

[36] M.E. STORME, o.c., p.8

[38] R. DILLEMANS, Beginselen van Belgisch privaatrecht - V, Zakenrecht, goederen, bezit en eigendom, Mechelen, Kluwer, 1990, p.351

[39] D. MEULEMANS, Een pand bouwen en verbouwen - praktijkgids vastgoedrecht 3, Leuven, Acco, 2005, p.250; A. VAN MUYLDER, J. VERSTAPPEN, “ Actuele problemen inzake het recht van natrekking, de verzaking daaraan, en het recht van opstal”, T.Not. 1992, p. 281 e.v.

Excerpt out of 23 pages

Details

Title
Bijzondere analyse van het appartementsrecht
College
University of Brussel
Author
Year
2011
Pages
23
Catalog Number
V170903
ISBN (eBook)
9783640903542
ISBN (Book)
9783640903528
File size
799 KB
Language
Dutch
Tags
bijzondere
Quote paper
Noë Schellinck (Author), 2011, Bijzondere analyse van het appartementsrecht, Munich, GRIN Verlag, https://www.grin.com/document/170903

Comments

  • No comments yet.
Read the ebook
Title: Bijzondere analyse van het appartementsrecht


Upload papers

Your term paper / thesis:

- Publication as eBook and book
- High royalties for the sales
- Completely free - with ISBN
- It only takes five minutes
- Every paper finds readers

Publish now - it's free