Verhalen vertellen. Das Glasperlenspiel als filosofisch werk?

Over de filosofische zeggingskracht van literatuur


Thesis (M.A.), 2015
62 Pages, Grade: 8/10

ebook
Free Download! (PDF)
Free Download! (ePUB)
Free Download! (MOBI)

Excerpt

Table of Contents

1. Er was eens
Ten geleide
Opzet langs twee lijnen
De moraal van een verhaal

2. Het Kralenspel: introductie
Hermann Hesse als filosofisch auteur?
Wat is het Kralenspel?
Het vertellen als spel van mogelijkheden en het belang van
vriendschappen

3. Eerste interpretatie van Het Kralenspel

Doorbreking van de romantische utopie en ombuiging van het klassieke ‘Bildungs’-ideaal
Pleidooi voor een humanisme zonder overkoepelende moraal
De allegorische les wordt vervangen door een levensles
Het spel als metafoor voor de menselijke keuzevrijheid
Het Kralenspel als louter esthetisch discours?
Resumé en verdere vraagstelling

4. Paul Ricoeur: literatuur als middel tot zelfreflectie

Hermeneutiek van het zelf-verstaan
Narratieve identiteit als oscillatie tussen het Zelf en de ander
Positieve tegenover negatieve vrijheid: het verschil tussen ethiek en moraal
Het spel als narratief metaniveau van de zelfbespiegeling

5. Filosofie en Literatuur: een demarcatie

Kenmerken van het literaire discours en van het filosofische discours
Filosofie: Pleidooi voor phronēsis bij Ricoeur
Literatuur: Pleidooi voor phronēsis in Het Kralenspel
Conclusies

Bronvermeldingen

1. Er was eens…

Ten geleide

Al sinds mensenheugenis vertellen mensen verhalen aan elkaar. Maar die verhalen vertellen in zekere zin ook zichzelf. De titel van deze thesis kan daarom op twee manieren worden begrepen:

1. Ten eerste kan men ervan uitgaan dat er altijd een verteller is die een verhaal vertelt aan een ander. In dien verstande is de setting van een verhaal in de wereld altijd dialogisch van aard – ongeacht de vorm waarin een verhaal zijn beslag krijgt, als fictief verhaal of als wetenschappelijk traktaat.[1]
2. Maar verhalen scheppen ook hun eigen wereld en daarin heeft hun narratieve zeggingskracht zich losgekoppeld van hun schepper. Om het in filosofische termen uit te drukken: de geest van het verhaal heeft zich verzelfstandigd en tot op zekere hoogte gematerialiseerd. Hij bestaat uit letters en woorden die in een bepaalde volgorde zijn geplaatst. In die geobjectiveerde vorm is het éne verhaal vervolgens overgeleverd aan lezers die het, ieder op zijn eigen wijze, in een oneindige veelvoud van interpretaties en verwerkingen opnieuw tot leven wekken.

Zo komen de twee werelden, die van de verhalenverteller en die van de lezer of toehoorder, samen in een nieuw verhaal: een verhaal over een verhaal. Anders gezegd: het verhaal krijgt een geschiedenis, krijgt geschiedenis sen. Dat kan op collectief vlak gebeuren in de traditie. Wanneer verhalen door de tijd heen worden overgeleverd van de ene generatie op de andere, van de ene plaats naar de andere, krijgen zij al naar gelang die tijd en plaats steeds weer een andere betekenis. Het verhaal blijft niet hetzelfde, maar wordt steeds weer iets anders. Dit geldt niet alleen voor de literatuur, vooral die van de zogenaamde canon, maar ook voor het ‘verhaal’ van de filosofie, dat steeds weer voeding geeft aan nieuwe filosofische vragen.

Maar het gebeurt ook op individueel vlak. De geest van het verhaal raakt onze identiteit en verandert deze. Of het nu filosofische, religieuze of literaire vertellingen zijn, de ‘geest’ van een verhaal genereert menselijke emoties en beweegt de menselijke ziel[2]. We blijven onder het luisteren naar of lezen van verhalen niet alleen onberoerd, maar leren ook ons eigen leven als een verhaal zien. En ook daarin wordt duidelijk dat ons ‘ik’ niet is, maar wordt. Dat is niet alleen een antropologisch grondgegeven, maar heeft ook een morele betekenis. De in het verhaal geëvoceerde vraag naar persoonlijke identiteit noopt tot een reflectie op ons eigen verhaal en de keuzen die we in ons leven gemaakt hebben. Zo kunnen boeken, net als goede vrienden en hun mondelinge verhalen, een mensenleven van richting doen veranderen. De verhalen van en over anderen kunnen ons eigen verhaal een nieuwe oriëntatie geven en een ongehoord licht werpen op ons eigen verleden.

Maar doen alle verhalen dat op dezelfde manier? Zojuist sprak ik in één adem over ‘filosofische, religieuze of literaire vertellingen’, alsof die allemaal hetzelfde verhaal vertellen, en dat op dezelfde wijze doen. Dat is veel te haastig gezegd. Er zijn qua stijl, conventies, wetten, strategieën en logica’s immers grote verschillen tussen literaire, narratieve verhalen enerzijds en beschouwelijke, theoretische vertellingen anderzijds. In deze thesis wil ik de vraag naar die verschillen toespitsen op een drietal kwesties.

1. Allereerst wil ik nagaan op welke wijze filosofische inhouden in (verhalende) literatuur kunnen worden weergegeven. Deze vraag zal ik onderzoeken aan de hand van de grote roman Het Kralenspel van Hermann Hesse, zijn magnum opus dat hij 1943 publiceerde. De keuze voor deze roman lag voor de hand. Het zijn immers bij uitstek filosofische vragen die Hesse hierin centraal stelt. Steeds weer komt hij terug op zijn hoofdthema: het dualisme van lichaam en geest, dat al sinds Plato hoog op de filosofische agenda staat. Hesse behandelt dat thema echter niet uitsluitend op een theoretische wijze, hoewel abstracte beschouwingen in het boek niet ontbreken. Deze thematiek is namelijk ingebed in wat je het literaire thema van het boek zou kunnen noemen: de levensgeschiedenis van de monnikachtige figuur Jozef Knecht - een levensgeschiedenis die op zijn beurt uitloopt op de filosofische vraag naar het goede leven.
2. In Het Kralenspel lopen de filosofische thema’s en het literaire narratief voortdurend door elkaar heen. Daarmee dringt zich vanzelf de tweede vraag op die ik wil stellen: is (narratieve) fictie als gestileerde leugen tot het weergeven van andere filosofische inhouden in staat dan die welke het strikt theoretisch-filosofische discours kan thematiseren? Of negatief geformuleerd: zijn er ook filosofische inhouden die niet via het gangbare filosofische discours tot uitdrukking kunnen worden gebracht? Hoe zit dat bijvoorbeeld met het vraagstuk van de dualiteit tussen lichaam en geest: wat kan de filosofie daarover zeggen en wat kan het literaire discours daaraan toevoegen (en andersom)?
3. Dat leidt tenslotte tot de derde vraag: welke consequentie heeft de keuze voor het éne of het andere discours voor de filosofische vraag die gesteld wordt? Gaat het in literaire fictie louter om een metaforisering van filosofische gedachten? Verbeeldt de literatuur in die zin slechts als spel van mogelijkheden op ludieke wijze levensvragen, of heeft zij ook een eigen bijdrage te leveren aan de beantwoording daarvan?

Opzet langs twee lijnen

In deze thesis heb ik bewust gekozen voor een opzet langs twee lijnen. Ik wilde de onderzoeksvragen zo veel mogelijk aan de hand van praktijkvoorbeelden uitwerken om een droge en abstract theoretische beschouwing over literatuur en filosofie te voorkomen. Hesses Kralenspel leent zich, als filosofische roman, goed voor een analyse van de binnen de filosofie vaak gethematiseerde lichaam-geest-thematiek. Zowel ‘lichaam’ als ‘geest’ moeten in hun betekenis overigens niet al te nauw worden genomen, zoals in de volgende hoofdstukken zal blijken. ‘Geest’ staat in Het Kralenspel voor een productief, scheppend principe, tegelijkertijd voor de wetenschap en ook voor elk principe dat in zijn aard iets over de werkelijkheid wil en kan zeggen. ‘Lichaam’ is een verwijzing naar de fysieke werkelijkheid, de levensloop van de hoofdpersoon, Josef Knecht, maar ook naar de geschiedenis als materiële en veranderende vorm van bestaan. In wezen wordt in die dualiteit Hegels dialectiek zichtbaar: de strijd van de mens om zich in een steeds veranderende werkelijkheid staande te houden, vindt plaats via een poging om invloed uit te oefenen op die materiële bestaansvorm. In eerste instantie via gedachten, de ratio, en in tweede instantie via de omzetting van die gedachten, via daden. Hierdoor ontstaat een cyclus van dingen die vergaan en tegelijkertijd weer door de mens geschapen zullen worden. Dit scheppende principe symboliseert Hesse met Het Kralenspel, waarbij hij de vraag stelt hoe de juiste balans te vinden is tussen funderende principes enerzijds en een realiteit die aan een constante metamorfose onderhevig is anderzijds.

De tweede lijn, die van het filosofisch discours, zal ik in deze thesis hoofdzakelijk beperken tot het gedachtegoed van Paul Ricoeur. Diens bevindingen met betrekking tot de narratieve identiteit, een identiteit op grond van verhalen, is zeer bruikbaar gebleken in een onderzoek naar de overeenkomsten en verschillen tussen het filosofische en literaire vertoog.[3] Ricoeurs filosofie is een vertoog over de betekenis van literatuur. De eindeloze dynamiek waarin de mens via verhalen zijn leven richting geeft, van inhoud voorziet en waarmee hij zich zelf een identiteit toekent, kan niet worden losgekoppeld van zijn persoonlijke levensgeschiedenis. De individuele achtergrond van een ‘hier en nu’ in ieder mensenleven is alleen zinvol afgezet tegen een verleden en een toekomst, anders zou een mensenbestaan in de woorden van Ricoeur moeten doorgaan als een “tautologie van het levende Heden”[4], als een mechanische en zielloze herhaling van zetten, waarin een mens niets leert over zichzelf. In die ahistorische benaderingswijze kunnen zaken als persoonlijke ontwikkeling of de zogenaamde vrije wil meteen worden afgeschreven. Het uitgangspunt van de narratieve identiteit is dat ieder mens een uniek verhaal representeert, dat noch veralgemeniseerd kan worden, noch te begrijpen is als de wordingsgeschiedenis van een mens niet zichtbaar kan worden gemaakt. Ook het menselijk samenleven kan pas op zinvolle wijze worden vormgegeven, als we elkaars verhalen kennen. We kunnen een ander immers pas begrijpen als we zijn beweegredenen kennen. Als we zijn verhaal kennen.

Via onze verhalen kan het menselijke zijn uitsluitend in relaties worden uitgedrukt: relaties met de ander, met het tijdsgewricht waarin wij leven maar ook relaties met ons zelf. Die laatste relaties manifesteren zich in ons geheugen. Zoals Ricoeur doet beseffen, bestaat de objectieve mens bij de gratie van een ruimtelijk en temporeel kader (niet-talig en niet moreel) en het subject omvat de dimensies die keuzes mogelijk maken (talig en moreel). Aan de objectieve mens kunnen we geen ontwikkeling aflezen, omdat het alleen gaat om de uiterlijke gegevens die zijn leven vormen. De mens die keuzen maakt op grond van zijn ervaringen, zal deze keuzen afstemmen op de noodzaak om goed te handelen. Deze morele keuzen zijn gebaseerd op het menselijke vermogen, het leven te overdenken via de taal. In de taal ligt de mogelijkheid besloten ons leven richting te geven en lering te trekken uit onze eigen geschiedenis.

De moraal van een verhaal

De temporele gelaagdheid van Ricoeurs narratieve identiteit zorgt voor een extra dimensie in een mensenleven. De extra dimensie via de taal is echter niet zichtbaar, aangezien die dimensie fictieve en echte elementen bevat – zij berust op Dichtung en Wahrheit. De eerste twee dimensies worden gevormd door de tijd en de ruimte, waarin een mensenleven zich afspeelt, de uitwendige geschiedenis om het wat omslachtiger uit te drukken. Pas in het verhaal over ons leven, waarin we onze ervaring duiden, wordt het mogelijk om iets te leren over de toekomst. De derde dimensie, die niet objectief meetbaar is en van persoon tot persoon verschilt, maakt een vertaalslag naar de toekomst mogelijk. Deze derde dimensie zouden we ook wel onze inwendige geschiedenis kunnen noemen. In potentie is die toekomst wederom driedimensionaal, omdat zij dezelfde keuze- en reflectiemogelijkheden biedt als het heden en het verleden.

Zowel het verleden als het heden zijn beleefde werkelijkheid maar bieden in die zin als verhaal een keuzemogelijkheid voor de toekomst, die gekoppeld is aan een versmelting van beide eerdere dimensies. De dialogische structuur van het denken maakt een synthese van beide mogelijk, waarbij Ricoeur Hegels geschieddialectiek existentialistisch inkleurt. De Hegeliaanse Weltgeist wordt door Ricoeur tot menselijk subject getransformeerd. Het besef van tijd en de mogelijkheid om ons leven als een verhaal te zien, geven de mens keuzevrijheid. Ieder mens schrijft zijn eigen geschiedenis. Aangezien de mens alle drie historische dimensies in zich verenigt, is Ricoeurs antropologische uitgangspunt dat de mens een talig en moreel wezen is. Taal biedt de mogelijkheid tot reflectie en deze maakt bewuste keuzen mogelijk. De geschiedschrijving kan een objectieve weergave geven van een mensenleven; de keuzen die eraan ten grondslag liggen, zijn echter uniek en nooit geheel objectiveerbaar. Wij maken immers allemaal andere keuzen in ons leven.

Bij mijn onderzoek zal ik de in het begin geformuleerde vragen richten op de manier, waarop in het literaire en het filosofische discours ethische kwesties aan bod komen. Met andere woorden: hoe wordt de vraag naar een goed leven in beide discoursen aan de orde gesteld? Het toespitsen op de ethische dimensie ligt voor de hand, aangezien literatuur van oudsher een vormende functie wordt toegeschreven. Bovendien biedt Ricoeurs filosofisch onderzoek naar taal en de daarmee samenhangende identiteitsvorming veel aanknopingspunten om de verschillen tussen de discoursen juist in de ethiek te situeren.

Mijn werk- en benaderingswijze zou ik willen typeren als close reading: door zo dicht mogelijk op de oorspronkelijke tekst van Hesse te blijven, wordt naar mijn idee het meest recht gedaan aan de narratieve zeggingskracht van de brontekst en kunnen de verschillende benaderingen op de meest oorspronkelijke manier worden weergegeven en zodoende voor zichzelf spreken. In die praktische zin zal in deze thesis vooral de tweede uitleg van de titel in het middelpunt staan: de Eigendynamik die immanent is aan het verhalen vertellen, zodra een verhaal zijn eigen leven gaat leiden en de daarmee gepaard gaande betekenisgenese. Men zou mijn benadering ook wel narratief kunnen noemen; in die zin dat mijn argumentatie draait om het tonen en niet om het bewijzen. Ik zal pogen via een inductieve verteltechniek tot gevolgtrekkingen te komen met betrekking tot de hier gestelde vragen. Gezien het grote aantal citaten uit en verwijzingen naar Het Kralenspel zal ik hun herkomst binnen de tekst met de afkorting KS aanduiden om een enorm corpus aan voetnoten te voorkomen. Daarvoor heb ik gebruik gemaakt van de eerste Nederlandstalige uitgave van Das Glasperlenspiel van Tine Ausma en Annemarie Houwink ten Cate (1998).[5] Voor alle andere vertalingen van niet-Nederlandse tekstbronnen heb ik zelf zorg gedragen.

De opzet van mijn hoofdstukindeling is in wezen geënt op een klassieke vorm van literaire en filosofische tekstanalyse: eerst bespreek ik de inhoud van Hesses Kralenspel, daarna de historische en receptie-esthetische achtergrond van het boek, waarna ik me over de huidige stand van zaken omtrent de receptie van het boek zal buigen. Daarbij zijn recente interpretaties met name gecentreerd rondom hermeneutische duidingen aan de hand van Hans-Georg Gadamers (1900-2002) begrip horizonversmelting. Deze staan centraal in een recente interpretatie van het Het Kralenspel door Christine Hoff-Kraemer[6]. Aangezien zij er naar mijn idee niet in slaagt om de morele dimensie van de roman inzichtelijk te maken, maar wel tot bruikbare conclusies komt met betrekking tot de dialogische structuur van Hesses Kralenspel, wil ik haar analyse als basis gebruiken voor mijn eigen duiding.

In het vierde hoofdstuk introduceer ik Paul Ricoeurs hermeneutiek van de narratieve identiteit en gebruik haar uitkomsten om tot een herinterpretatie van de roman te komen op grond van drie aspecten:

- De kenmerken van de narratieve identiteit
- Het door Ricoeur gemaakte verschil tussen ethiek en moraal
- Het ‘spel’ als funderend begrip voor een gepersonaliseerde ethiek

In het laatste hoofdstuk zal ik de verschillen tussen het literaire en het filosofische discours nog verder toespitsen en me tenslotte buigen over de hoofdvragen die ik in deze inleiding geformuleerd heb. Mijn methodologie wortelt in een contrasterende tekstanalyse, waarbij ik de verschillen tussen de discoursen met een concentrische beweging steeds verder wil afbakenen. De analyse op een meta-niveau bewaar ik voor de laatste paragraaf, waarin ik de vraag stel, wat ik eigenlijk geleerd heb. Ik hoop dan dat de ‘geest’ van mijn tekst zich vertaald heeft in een bruikbare conclusie.

I. Het Kralenspel: introductie

Hermann Hesse als filosofisch auteur?

Anders dan Thomas Mann wordt Hermann Hesse nauwelijks in samenhang gebracht met de filosofie, althans niet de Westerse filosofie. Het terugkerende thema in zijn werk van de mens die op zoek is naar harmonie, zoals we dat tegenkomen in Siddharta (1922) en Der Steppenwolf (1927), heeft tot een niet aflatende stroom van publicaties geleid rondom de oosterse inspiratiebronnen die aan zijn werk ten grondslag liggen. Toch is die eenzijdige receptie aan een herziening toe. Veel thema’s die Hesse aansnijdt, kunnen ook in een andere context worden geplaatst. De dualiteit tussen lichaam en geest is één van de hoofdthema’s. Wat is een goed leven als de ideeën van de mens over de wereld constant veranderen? In hoeverre is er eigenlijk een scheiding te maken tussen lichaam en geest, zoals die in onze Westerse geschiedenis telkens weer gemaakt is? In de hierboven genoemde werken is de tweestrijd tussen de beide principes volledig geïncorporeerd in de hoofdpersonen van de boeken, respectievelijk in Siddharta en in Harry Haller. De hoofdpersonen in die boeken trachten grip te krijgen op wat men in hen ‘goed’ of ‘slecht’ zou kunnen noemen. In Het Kralenspel is de thematische verwerking van deze problematiek echter geobjectiveerd; de strijd wordt niet meer in één persoon uitgevochten, maar vindt plaats op maatschappelijk en cultureel niveau. Wellicht waren de twee wereldoorlogen voor Hermann Hesse aanleiding om de subjectieve gewaarwordingen van zijn romanfiguren in een breder kader te plaatsen, waarbij niet meer alleen de individuele ontwikkeling op de voorgrond stond, maar de strijd tussen menselijk handelen en geestelijke waarden daarvoor in de plaats kwam.

In Das Glasperlenspiel (1943)[7] ontvouwt Hesse, aan de hand van de levensloop van de hoofdpersoon Josef Knecht tevens een visie op de Westerse cultuur. Daarbij gaat het hem niet zo zeer om de historische ontwikkeling in het leven van Knecht, als wel om een interpretatie van de ideeëngeschiedenis, aangezien de figuren in deze roman allemaal symbool staan voor een principe of levenshouding.[8] Door Hesses invalshoek wordt tevens de klassieke Duitse Bildungsroman geherdefinieerd: de ontwikkeling van de hoofdpersoon wordt niet alleen door de concrete gebeurtenissen in het ‘hier’ en ‘nu’ bepaald, zij wordt tevens beïnvloed door het verleden en de toekomst. Hesses omvorming van de Duitse Bildungsroman resulteert in een pluriforme benadering van zienswijzen en ervaringen; ze omvat een groter perspectief dan persoonlijke vorming. De cultuur schijnt op het spel te staan. De roman weerspiegelt de dilemma’s van een tijd (de opkomst en overheersing van het nationaalsocialisme) waarin elke menselijke waarde ten onder dreigde te gaan. Een andere aanwijzing voor de bewuste accentverschuiving is de verandering van de oorspronkelijke titel van de roman: in eerste instantie had Hesse hem Der Glasperlenspielmeister willen noemen. De titelverandering geeft aan dat het waarden betreft die het persoonlijke overstijgen.[9]

Hermann Hesse (1877-1962) leefde in een tijd die werd gekenmerkt door de dilemma’s van de moderniteit: de teloorgang van laatste bestaansgronden (God was immers dood verklaard) en de poging het leven zin te geven via politieke ideologieën die evenmin voldeden. Een tijd waarin kunst niet alleen de wereld weerspiegelde maar ook de mens en zijn gevoel van verlatenheid. In de vertellingen van Herman Hesse vinden we deze thema’s terug, geprojecteerd op de hoofdpersonen die de verscheurdheid van de moderne mens, zijn twijfels en verlangen naar heelheid, hebben verinnerlijkt. Hoewel Hesse zijn fabels vaak in het verleden of de toekomst situeert, kan de lezer zich moeiteloos herkennen in de geschetste dilemma’s.

Hesses innerlijkheid, die de lezer een inkijk biedt in de gevoelswereld van de romanfiguren, is programmatisch en knoopt moeiteloos aan bij de Duitse romantische traditie. Net als in die traditie snijdt Hesse universele thema’s aan in zijn vertellingen, thema’s die in hun uitwerking niet per se gebonden zijn aan een culturele of historische context. De achtergrond van de verhalen van Hesse is weliswaar niet geheel arbitrair, hij is altijd op symbolische wijze in samenhang te brengen met het ‘hier’ en ‘nu’. Zo staat de hoofdpersoon uit Het Kralenspel, Josef Knecht, symbool voor de moderne mens die op zoek is naar houvast in een wereld, waarin zowel religieuze overtuigingen als politieke ideologieën van voorbijgaande aard zijn gebleken.

Het verhaal is opgezet als een levensloop, zonder aanspraak te willen maken op ‘waarheid’ van de gebeurtenissen in het leven van Knecht. Het levensverhaal van Knecht ontstaat door de ogen en verhalen van meerdere vertelinstanties. Niet de vraag naar waarheid staat op de voorgrond in Het Kralenspel, maar juist de problematisering ervan. Wat is eigenlijk ‘waar’ in een mensenleven? Het Kralenspel belicht eerder in zijn narratieve opzet de randvoorwaarden die bepaalde keuzen evoceren. Door welke keerpunten in zijn verhaal besluit Knecht om zijn leven een andere richting te geven? Gaat het eigenlijk om ‘waarheid’ in een verhaal of om het maken van authentieke keuzen?

Wat is het Kralenspel?

In deze paragraaf zal ik de inhoud van Het Kralenspel bespreken, waarbij ik de hoofdlijnen van het boek thematisch wil verduidelijken aan de hand van de volgende zwaartepunten: setting van het verhaal, hoofdpersonen en verteltechniek. Alvorens ik deze punten aan de orde stel, volgt eerst een beschrijving van het Kralenspel zelf, zodat degene die het boek niet heeft gelezen, een indruk krijgt van het eerste symbool in de roman dat enige toelichting behoeft om de rest van het verhaal te kunnen begrijpen. Knechts vita is nauw verweven met dit spel, vooral de wijze waarop hij zijn leven betekenis geeft. Zo staat de figuur van Knecht symbool voor eenieder mensenleven, waarin de menselijke keuzevrijheid immers een spelelement bevat.

In het volgende hoofdstuk waag ik me aan een eerste interpretatie van de roman, door me te buigen over de (ogenschijnlijk) romantische tendens en humanistische ‘boodschap’ in de vertelling. Daarnaast zal ik proberen aan te tonen dat Het Kralenspel afwijkt van de voorloper van de roman, de novelle Die Morgenlandfahrer uit 1932. In feite probeert Hermann Hesse centrale motieven van de Duitse Bildungsroman in zijn latere werk om te buigen. In mijn interpretatie staat vooral het principe van het spel als zingevend narratief motief centraal. Daarmee haak ik aan op een recente interpretatie van het boek, door Christine Hoff-Kraemer uit 2002. Ik zal proberen de hiaten in haar onderzoek aan te vullen en mijn eigen onderzoeksvragen hierop af te stemmen. Deze hebben betrekking op de ethische vragen die Hesse opwerpt in zijn grote roman uit 1943.

Naar een niet nader benoemd tijdstip in de verre toekomst verplaatst, verhaalt Het Kralenspel over de orde der Kastaliërs, een niet-religieuze orde die tot doel heeft geestelijke culturele waarden voor het nageslacht te bewaren en leraren te leveren voor de wereld buiten de orde. Kastalië is een van de buitenwereld afgesloten provincie en is na twee grote wereldoorlogen in het leven geroepen om te ontkomen aan de barbarij van het zogenaamde Feuilletonistische Tijdperk: een tijdperk waarin kennis alleen gefragmenteerd en ideologisch gekleurd wordt ingezet, aangezien zij in deze donkere periode in wezen slechts een instrumentele waarde bezat.[10]

In de inleiding van Het Kralenspel beschrijft de verteller de intentie van het spel als volgt:

“Aan iedere beweging van de geest, gericht op het ideale doel van een Universitas Litterarum, aan iedere platoonse academie, aan elk verbond van een geestelijke elite, aan elke toenaderingspoging tussen de exacte en de vrijere wetenschappen, aan elke verzoeningspoging tussen wetenschap en kunst of wetenschap en religie lag dezelfde eeuwige idee ten grondslag, die wij in het Kralenspel belichaamd vinden. Figuren als Abélard, Leibniz en Hegel hebben ongetwijfeld de droom gekend om het geestelijk universum in concentrische systemen te vangen en de levendige schoonheid van de geest en de kunst te verenigen met het magisch formulerende vermogen van de exacte wetenschappen.” (KS, 14)

In de elitescholen van Kastalië worden jonge mannen opgeleid tot kralenspelers. Het Kralenspel, zo memoreert de verteller Ziegenhalss, vindt zijn oorsprong in de muziek. Zowel in Duitsland als in Engeland dient het als oefening om verschillende stijlen en muzikale ideeën te combineren. Later worden de noten en kaarten in het spel vervangen door een soort abacus met glazen kralen en samengevoegd met wiskundige formules en abbreviaties uit andere wetenschappelijke disciplines. De bedoeling van het Kralenspel is om de oorsprong van en eenheid tussen alle kennisgebieden te benadrukken, en om tot één gemeenschappelijke ‘taal’ te komen die de verscheidene kennisbronnen en nationaliteiten overstijgt. In feite is het Kralenspel een ode aan het menselijk vernuft en de schoonheid ervan. In het spel vertaalt men culturele verworvenheden van een afgebakend historisch kader op kunstzinnige wijze naar een universeel menselijke speeldrift. Terwijl materiële verschijningsvormen van elkaar verschillen in uiteenlopende tijden en culturen, wordt en blijft hun grondstructuur in het Kralenspel voor iedereen inzichtelijk.

Elk land van de wereld vaardigt eens per jaar kralenspelers af om het spel te spelen in Kastalië. Tijdens dit festival wordt het spel geleid door de magister ludi[11], die poogt om de verschillende uitdrukkingsvormen van het spel onder één noemer te brengen. Alhoewel het spel geen religieus karakter heeft, biedt het de mogelijkheid tot bespiegeling en meditatie. De magister ludi schrijft tijdens deze jaarlijkse ceremonie met een gulden griffel tekens op een bord, die vergroot worden weergegeven op de zaalmuren. Niet alleen de mathematische correctheid (en dus de generaliseerbaarheid) van de symbolen zijn onderdeel van het spel; zowel de spelers als de toeschouwers van het Kralenspel verzinken in contemplatie om de mystieke eenheid van natuur en geest, een eeuwige cyclus van vergaan en opnieuw ontstaan, te overdenken. Cultuur heeft in deze cyclus slechts een vergankelijke aard: ze is zowel ingebed in een collectief geheugen, als telkens weer in wording. Er is geen sprake van een religieuze ceremonie, maar het Kralenspel vertoont cerebrale trekken.

De nagestreefde synthese tussen kunst – als gematerialiseerde verbeeldingskracht – en wetenschappen – als mogelijkheid om de werkelijkheid methodisch te duiden – moet uitmonden in een nieuwe moraal. Deze moet het mogelijk maken het nihilisme van de moderniteit, dat zich manifesteert in eschatologische politieke massabewegingen, te doorbreken. Die moraal behelst matiging, onbaatzuchtigheid en streven naar harmonie (zoals gerepresenteerd door het Kralenspel). Klassieke muziek symboliseert die holistische benadering het beste, aangezien zij beide principes – materie en geest – als eeuwig spel van mogelijkheden in zich verenigt.

De geestelijk universele taal van het Kralenspel is volgens de verteller te vergelijken met de door Leibniz nagestreefde universele taal, die zich in wezen aan de regels van elke andere taal onttrekt (dat wil zeggen: aan de historiciteit van natuurlijke talen). Daarom vereist de verwerking van de symbolen door de kralenspelers naast grote discipline een uiterst concentratievermogen:

“Het was niet meer alleen van belang de gedachtereeksen en de hele geestelijke mozaïek van een spel snel, nauwlettend en met een getraind geheugen te volgen, maar er werd een diepgaande meer psychische betrokkenheid verlangd. Na elk teken dat de leider aan zijn geest had ontrukt, werden alle medespelers gedwongen mee te doen aan een stille, strenge beschouwing over inhoud, herkomst en zin van dit teken, teneinde zich de diepere strekking ervan intensief en organisch bewust te maken. (…). Dit behoedde de hiëroglyfen van het Spel ervoor om dode letters te worden.” (KS, 37)

Het Kralenspel heeft zodoende de volgende kenmerken:

- Het overstijgt alle wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke disciplines en is een uitdrukking van een in alle zaken vertegenwoordigd en terugkomend principe van harmonie en regelmaat;
- Het spelkarakter ontstaat doordat er telkens nieuwe verbanden worden gelegd tussen de (deel)disciplines;
- Het spel is slechts één van de vele vergankelijke uitdrukkingsvormen van de menselijke creativiteit en verbeeldingskracht, en is onderhevig aan de wetten van de tijd, net als de I Ging, de klassieke filosofie, klassieke muziek, enz.;
- De kralenspelers duiden het spel symbolisch, dat wil zeggen als verwijzing naar het algemene, waardoor ze de specifieke gedaante van de presente vorm uit het oog verliezen;
- De betekenis van dingen verandert maar het principe dat betekenis schept, blijft hetzelfde.

Het vertellen als spel van mogelijkheden en het belang van vriendschappen

Na deze eerste beschrijving van het Kralenspel wil ik me nu richten op het vertelperspectief en de gebeurtenissen die het leven van Josef Knecht in de roman markeren.

De gelaagdheid van het spel, zoals hier boven samengevat, vinden we ook op een ander niveau terug. Het Kralenspel is een verhaal dat niet samen te vatten is in één duidelijke handelingsstreng – afgezien van de mogelijkheid om de levensloop van Josef Knecht chronologisch weer te geven. Maar als de synopsis van zijn levensgeschiedenis gereduceerd zou worden tot de uiterlijke gebeurtenissen in het leven van Knecht, dan zou hiermee het daadwerkelijke verhaal van zijn leven onrecht worden aangedaan. Knechts biografie komt tot stand in de act van het vertellen zelf, in de evocatie van tegengestelde denkbeelden en handelingswijzen. Er wordt dus op verschillende narratieve niveaus betekenis gecreëerd; de ‘handeling’ is erop gericht het proces van betekenisgeving te duiden, zowel vanuit het vertelperspectief als ook in de lees-act zelf. Het gaat in de roman niet zozeer om de uiterlijke gebeurtenissen, die Knechts keuzes bepalen, als wel om de innerlijke tweestrijd die hij voert om zijn leven een nieuwe wending te geven.

Maar toch: laten we ons nu eerst kort buigen over het uitwendige handelingskader van de roman. Josef Knecht, de hoofdpersoon uit Het Kralenspel, valt als jonge leerling dankzij zijn gaven op bij een van de muziekleraren van de Kastalische orde. Het is echter niet alleen zijn groot muzikaal talent dat hem geschikt maakt voor de orde, maar vooral een bepaalde geesteshouding, die wordt gekenmerkt door matiging en zelfopofferingsgezindheid. Als gevolg van die ontmoeting wordt hij ertoe beroepen toe te treden tot de orde van de kralenspelers. Tijdens zijn jeugd en opleiding in het Kastalische internaat Waldzell ontmoet Knecht drie personen die een blijvende betekenis voor zijn leven zullen hebben: Plinio Designori, Frits Tegularius en vader Jakobus.

Plinio is een zoon van een welgestelde burgerlijke familie, die een deel van zijn opvoeding in Waldzell mag volgen, om een idee te krijgen van de hoge geestelijke tucht binnen de orde. Aangezien Plinio er echter noch toe is voorbestemd kralenspeler te worden, noch van plan is in de orde te blijven, bekritiseert hij voortdurend de morele eisen van de orde en haar afgeslotenheid. Vanuit deze achtergrond ontwikkelt hij zich tot een tegenstander van de Kastalische orde, omdat hij vindt dat de Kastaliërs de echte wereld de rug hebben toegekeerd.

Tegularius daarentegen is een Kastaliër, die zich volledig afkeert van de materiële wereld, omdat zij volgens hem de realisering van geestelijke idealen in de weg staat. Naast zijn radicale afwending van de geschiedenis en de wereld buiten Kastalië, heeft hij er moeite mee zich in de strenge hiërarchie van de Kastalische orde te voegen. De vriendschap met de geniale jonge kralenspeler Tegularius biedt Knecht juist een ander inzicht: Tegularius, een Einzelgänger binnen de orde, weigert zijn leven in dienst te stellen van de wereld buiten de orde, zoals gebruikelijk is. Daarmee gaat hij in tegen de hiërarchische structuur van de kralenspelersorde en tegen de stelregel dat de kralenspelers zich ook in de buitenwereld verantwoordelijk tonen voor de opvoeding en geestelijke vorming van gewone mensen.

Een ander figuur die een blijvende impact op Knecht heeft, is de geschiedschrijver van de Benedictijner orde, vader Jakobus. Knecht is hier een aantal jaren als gezant te gast om de diplomatieke betrekkingen tussen de Kastaliërs en de Heilige Stoel te onderhouden. Terwijl Knecht Jakobus iets kan leren over de merites van de Kastalische orde, leert hij op zijn beurt iets over de wenselijkheid van historisch besef, waardoor elke orde, zij het een religieuze, zij het een wereldlijke, haar bestaan kan veiligstellen. Geestelijke deugden, zo stelt Jakobus, zijn weliswaar absoluut noodzakelijk om het menselijk samenleven mogelijk te maken, maar zij kunnen alleen tot resultaten leiden als ze niet losgezongen zijn van het dagelijkse leven. Zo leert Knecht dat deugdzaam denken niet hetzelfde hoeft te zijn als deugdzaam leven.

Knechts levensloop doorloopt zodoende via zijn vriendschappen meerdere stadia: in de disputen met Plinio en Tegularius leert hij dat er verschillende zienswijzen met betrekking tot de Kastalische orde bestaan. Vader Jakobus leert hem over het belang van de geschiedenis als een mens iets in zijn leven wil leren. Dat bepaalde waarden in elk tijdsgewricht andere manifestaties kennen. In het vierde hoofdstuk zal ik in mijn eigen interpretatie uitgebreid ingaan op de gevolgen van de ontmoetingen die Knecht heeft tijdens zijn leven. In het kader van deze paragraaf kan ik volstaan met de constatering dat Knecht, die inmiddels tot kralenspelmeester verkozen is, door zijn vriendschappen leert om de wereld van geestelijke tucht in Kastalië te relativeren.

Uiteindelijk leiden zijn contacten met zijn vrienden ertoe dat Knecht de Kastalische orde verlaat. Hij is dan tot het inzicht gekomen dat je geestelijke waarden wel kunt propageren, maar dat dit zinloos is als er geen betekenisvolle daden op volgen. Ten gevolge van dit inzicht verlaat Knecht Kastalië en besluit de zoon van zijn vriend Plinio, Tito, buiten de orde op te voeden. Tijdens een wandeling met de jongen, die hem ertoe had uitgenodigd samen met hem naar de overkant van een bergmeer te zwemmen, verdrinkt Knecht. Toch leven de herinnering aan Knecht en de door hem geïncorporeerde waarden voort in de jonge leerling en in de geschiedenis van de Kastalische orde. Of om het in termen van Knechts verhaal uit te drukken: zijn geest heeft zich via zijn daden blijvend gematerialiseerd.

Op narratief niveau, namelijk in de wijze waarop het verhaal verteld wordt, borduurt Hesse voort op het thema van het spel. Vanaf het begin wordt door de verteller erop gewezen dat het verhaal door de overlevering van verschillende geschreven bronnen tot stand is gekomen: zoals de chronist Ziegenhalss, andere tijdgenoten van Knecht en niet te vergeten de door hem zelf nagelaten geschriften – een aantal gedichten en drie fictieve levenslopen . Nergens in de roman wordt het eigenlijke vertelperspectief – het heden –gespecificeerd. De enige hint die de verteller geeft, is dat Knecht leefde vlak na het zogenaamde Feuilletonistische Tijdperk, dat gekenmerkt werd door grote oorlogen en zedelijk verval. Vooral de drie fictieve levenslopen die Knecht zelf als leerling op Waldzell heeft geschreven, vormen een ironische verwijzing naar het fictionaliseren van geschiedenis in de literatuur en de hachelijke status van een vermeend objectieve geschiedschrijving. Het is een narratief middel om het vertellersperspectief van begin af aan te relativeren en vragen te plaatsen bij wat ‘waarheid’ is.

De verschillende verhaallijnen laten zien dat waarheid tot stand komt in een uniek en afgebakend handelingskader, waarbinnen de personages van de roman zich bewegen. De echte handeling van Het Kralenspel vindt aan de binnenkant van de personen plaats, daar waar hun identiteit wordt gevormd en waar zich hun wordingsgeschiedenis ontspint. De roman reconstrueert zo op symbolische wijze de Westerse ideeëngeschiedenis zodra men het individuele wordingsproces van de protagonisten extrapoleert naar een cultureel maatschappelijk niveau. De grondhoudingen die de verschillende figuren typeren, representeren in feite andere ethische invalshoeken. De vraag die zich stelt, is welke houding in feite een meerwaarde oplevert voor de menselijke samenleving en het individu zelf. In het vierde hoofdstuk zal ik hierop nader ingaan, met behulp van Paul Ricoeurs narratieve identiteit.

3. Eerste interpretatie van Het Kralenspel

Doorbreking van de romantische utopie en ombuiging van het klassieke ‘Bildungs’-ideaal

In de aanloop naar Het Kralenspel publiceerde Hesse in 1932 Die Morgenlandfahrt, die thematisch als directe voorloper van Het Kralenspel kan worden beschouwd. Ook hier staat een (geheime) sekte in het middelpunt, wier hoofddoel het is om geestelijke waarden te bewaren en aan de volgende generaties door te geven. In deze vertelling worden de motieven uit het latere hoofdwerk al op exemplarische wijze aanschouwelijk gemaakt. Die Morgenlandfahrt kan worden gelezen als een ode aan het fragmentarische werk Heinrich von Ofterdingen (1802) van Novalis (1772-1801), waarin deze poogt een rijk van de geest te scheppen, die slechts wortelt in de menselijke ziel.[12] De verteller van Die Morgenlandfahrt draagt de initialen H.H. en geeft de bedoeling van de reis naar de wortels van de beschaving als volgt weer: “(...) ons doel was niet alleen het Morgenland, of beter gezegd: ons Morgenland was niet slechts een land en iets geografisch, maar het was het thuisland en jeugd van de ziel, het was het Overal en Nergens, was de eenwording aller tijden.”[13]

De andere thema’s in de vertelling zijn op dezelfde wijze vervlochten in het hoofdthema: de zoektocht naar het licht (het Morgenland) staat allegorisch voor de queeste naar eeuwige waarden. De verteller schept een mythische wereld die hem ertoe in staat stelt de werkelijkheid te trotseren. Bovendien geeft de droomwereld hoop op een andere werkelijkheid; zodoende wordt de esthetiek als middel ingezet om de wereld te verbeteren. De rol van de schrijver is echter slechts beperkt: het gaat uiteindelijk om de ideeën die via hem tot leven kunnen komen. De romanfiguren daarentegen symboliseren een eeuwige waarde, zij stellen de mensen in staat te dromen van en te hopen op een betere wereld.[14] De vragen die worden opgeworpen, hebben betrekking op de rol van de verteller (de schrijver), de rol van esthetiek in het openbare leven – waarbij esthetische waarden gekoppeld zijn aan moraal – en de betekenis van persoonlijke waarden en identiteit.

Belangrijk in deze ‘voorstudie’ als ook in het latere hoofdwerk is de romantische grondteneur van de fabel. In beide gevallen worden de categorieën van tijd en ruimte als het ware uitgeschakeld om de voortdurende zoektocht naar blijvende waarden gestalte te geven. Deze zoektocht is van alle tijden – hier in de toekomst gesitueerd, waarmee gesuggereerd wordt dat hij nooit afgesloten is.

De beoogde esthetisering van het openbare leven, waarbij overgeleverde waarden in de kunst en cultuur als leidraad dienen voor de zelfverwerkelijking van de protagonist, symboliseert een omkering van het oorspronkelijke Bildungs -ideaal zoals Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) dat voorstond. Goethes Wilhelm Meister kan zich via zijn wederwaardigheden in de wereld letterlijk omvormen tot een zelf-bekwaam en zelfredzaam romanpersonage – als Meister. (Niet voor niets heet Hesses protagonist in Het Kralenspel Josef Knecht). De zelfrealisering van Hesses protagonist uit Die Morgenlandfahrt vindt dan ook op een andere manier plaats: slechts in reflexieve vorm kan de verteller zich zelf vinden, door zich over te geven aan zijn dienaar, Leo.[15]

Werkelijk leren, zo lijkt de moraal, is pas mogelijk als je jezelf ten dienste stelt van anderen. Dit geldt in overdrachtelijke zin ook voor de literatuur, die pas als zij onbaatzuchtig is anderen tot leren in staat stelt. Daarmee klinkt in deze vertelling zowel het verzet tegen de propagandistische literatuur in de dertiger jaren van de vorige eeuw als het aloude onderscheid tussen retorica en filosofie door. Literatuur is een middel tot zelfreflectie en behoort geen persoonlijke belangen te dienen. De literaire science fiction in Het Kralenspel is niet alleen een middel om een utopisch voorland te schetsen, het doorbreekt tegelijkertijd de romantische utopie door de nadruk te leggen op de zinloosheid van idealen die slechts een beroep doen op de geest zonder dat zij zich vertalen in concreet handelen.[16]

Goethes Wilhelm Meister ondergaat een Bildung die hem ertoe in staat stelt zich organisch in de maatschappij in te passen, met het doel erin opgenomen te worden. Voor Josef Knecht in Het Kralenspel betekent Bildung daarentegen niet alleen geestelijke aanpassing aan de verwachtingen van de buitenwereld maar ook een psychisch rijpingsproces. Ook dit kan men lezen als een romantische inkleuring van de fabel, aangezien dit juist de innerlijkheid van de romanfiguur benadrukt. Of om in het in de woorden van Novalis te formuleren: “Nach Innen geht der geheimnisvolle Weg”[17]. Terwijl in Novalis’ verhalen de innerlijkheid de ultieme vrijheid symboliseert, doorbreekt Josef Knecht deze romantische idylle in Het Kralenspel uiteindelijk echter door voor een leven buiten de Kastalische orde te kiezen.

Bildung is in de context van Het Kralenspel de mogelijkheid tot zelfreflectie, waarbij de beschouwing van het Zelf niet alleen de verhouding tot de wereld weerspiegelt, maar ook tot de eigen psyche. Het individu is per definitie een ‘dividu’, tenminste als het wil leren; de ‘gedeeldheid’ die persoonlijke groei mogelijk maakt, komt zowel in de relatie met de ander als in die met zich zelf tot uitdrukking. Pas in een dialectische verhouding tot het Zelf is deze vorm van Bildung mogelijk.

In Het Kralenspel worden de Middeleeuwen en het recente verleden (het Feuilletonistische Tijdperk) gebruikt om de huidige tijd – gezien door de ogen van een toekomstige verteller! – aan een grondige analyse te onderwerpen. Hierdoor versmelten verleden, heden en toekomst op een zodanige wijze dat zij als referentiekader kunnen dienen voor de waarden die de verteller aan ons wil openbaren. Het utopische moment lijkt voor een groot deel al gerealiseerd en terugblikkend wordt de dimensie van het heden gesitueerd in de toekomst! – ontcijferd. De Middeleeuwen krijgen in eerste instantie, als een vooruitgeworpen schaduw, gestalte in de orde van de Kastaliërs. In de hiërarchie van de orde, in de verbintenis tussen een zichtbare werkelijkheid en een hogere waarheid, is de middeleeuwse kathedraal weerspiegeld, waarin de mens zingeving ervaart en het aardse leven slechts betekenis kan krijgen als het ‘hogere’ niet wordt vergeten (ruimte en tijd overschrijdende geestelijke waarden). Kastalië staat symbool voor een herijking van waarden, die een einde kan maken aan oorlog en de existentiële ontworteling die het Feuilletonistische Tijdperk kenmerkte.[18]

Pleidooi voor een humanisme zonder overkoepelende moraal

Het allegorische taalgebruik uit Die Morgenlandfahrt is in Das Glasperlenspiel vervangen door een symbolische fabel. De verschillende tijdlagen fungeren nu als spiegel en reflecteren een ideale maatschappij, waarin het menselijk handelen altijd in het teken staat van na te streven waarden en menselijke waardigheid. Het verzet van Josef Knecht tegen de hermetisch gesloten orde der Kastaliërs kan in overdrachtelijke zin worden gezien als een poging de middeleeuwse universaliënstrijd ten tonele te voeren. Kastalië wil tijdloze waarden behouden, omdat zij voor het behoud van de menselijke cultuur onmisbaar zijn. Maar hiermee neemt Hermann Hesse geen genoegen. Waarden verliezen hun kracht als zij niet in het dagelijkse leven in de praktijk worden gebracht, zo kan dit verhaal ons leren. Moraal heeft geen nut als zij niet in het handelen van de reële mens tot uitdrukking komt. De mens is niet aan bovenwereldlijke krachten overgeleverd, maar is in staat zelf geschiedenis te schrijven. In die zin klinkt in het verhaal het nominalisme van Nietzsche door, waarin voor de menselijke wil een grote mate van positieve vrijheid wordt ingeruimd. In dit werk is er geen sprake van vrijblijvende nostalgie naar de Middeleeuwen. Hesse gebruikt de middeleeuwse wereld als symbool voor een antropologisch grondbeginsel: de menselijke zoektocht naar blijvende waarden die houvast bieden in een veranderende werkelijkheid.

[...]


[1] Uiteraard is dit slechts een zeer grove definitie van het begrip ‘dialogisch’, zoals uit mijn conclusies zal blijken.

[2] Ik gebruik het woord ‘ziel’ hier in seculiere zin als verzamelnaam voor de menselijke passies en temperamenten.

[3] Ik heb hiervoor gebruik gemaakt van de gebundelde essays in Oneself as Another. In het Engels voor het eerst verschenen in 1992, de Franse uitgave Soi-même comme un autre verscheen in 1990.

[4] Citaat uit: Paul Ricoeur, Oneself as Another, The university of Chicago Press, 1994 Chicago, blz. 53.

[5] Alleen toegevoegde gedichten uit Het Kralenspel heb ik in het Duits laten staan, omdat vertalingen van gedichten in mijn optiek altijd tot ongewenste effecten op het metrum en de oorspronkelijke zeggingskracht leiden.

[6] The mind which has no beginning: a reading of Hesse’s Glass Bead Game with Gadamer’s Truth and Method, 2002, toegankelijk via internet: http://www.christinehoffkraemer.com/hesse.html.

[7] De roman mocht door de censuur in 1943 niet door de gebruikelijke uitgever van Hesse, Suhrkamp Verlag, worden uitgegeven, en werd in eerste instantie door een Zwitserse uitgeverij (Fretz & Wasmuth) gepubliceerd. Pas in 1946 werd het boek in Duitsland door Suhrkamp heruitgegeven. Vlak na het verschijnen van het boek ontving Hesse de Nobelprijs voor literatuur (1946).

[8] Een vertelstijl die in zekere zin herinnert aan Michel Foucaults ‘analytiek van de eindigheid’. In Foucaults methode is elke betekenis gebonden aan de gegeven omstandigheden: taal kan niet los worden gezien van de gegeven sociaal-culturele context, want deze genereert uiteindelijk betekenis. Deze uitdrukking bezigt Foucault in het boek De woorden en de dingen (1966). Te vinden in hoofdstuk 9, paragraaf 3, Boon Amsterdam, 2006, p. 369.

[9] Vgl. hiermee: Erläuterungen und Dokumente: Hermann Hesse Das Glasperlenspiel, Reclam Stuttgart, 2007, blz. 5.

[10] Dit Feuilletonistische Tijdperk staat symbool voor de late negentiende en begin twintigste eeuw, waarin de politiek gedomineerd werd door zogenaamd heilbrengende ideologieën, zoals het communisme en het fascisme.

[11] Magister ludi of kralenspelmeester is het hoogste ambt in Kastalië en symboliseert de noodzaak van gemeenschappelijke waarden in een streng hiërarchisch georganiseerde orde.

[12] Vgl. hiermee: Erläuterungen und Dokumente: Hermann Hesse Das Glasperlenspiel, Reclam Stuttgart, 2007, blz. 5.

[13] Hermann Hesse: Die Morgenlandfahrt, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 1982, blz. 28. De verteller refereert op meerdere plaatsen aan de Duitse romantiek, bijvoorbeeld als hij Heinrich von Ofterdingen (Novalis) noemt of hoofdpersonen uit E.T.A. Hoffmanns Der Goldne Topf in het verhaal betrekt, vgl. blz. 30 en 33.

[14] Ibid., blz. 33.

[15] Pas aan het einde van het boek blijkt dat Leo de hoogste functie bekleedde in de orde van de ‘Morgenlandfahrer’ en in zijn dienaarschap juist het ware ‘meesterschap’ had getoond. Aan het einde van de vertelling wordt H.H. de archivaris van het bondsarchief; hij mag de overleverde ideeën beheren en systematiseren.

[16] In het vierde en laatste hoofdstuk zal ik nader ingaan op Hesses verdiscontering van romantische topoi.

[17] Novalis: Die Christenheit oder Europa und andere philosophische Schriften, Könemann Verlagsgesellschaft GmbH, Köln 1996, p. 103.

[18] Al bij Novalis is er een verlangen merkbaar de middeleeuwse waarden in ere te herstellen, zoals in Die Christenheit oder Europa (1799). De romantische tendensen uit Die Morgenlandfahrt worden in Das Glasperlenspiel wederom in het verhaal tot uitdrukking gebracht. Regine Gerber verwoordt dit in haar studie over het gebruik van de Middeleeuwen in Het Kralenspel (ingaand op de ondergangsstemming tijdens de Republiek van Weimar), als volgt: “Moderne ontwikkelingen in de maatschappij werden beschouwd als een verschrikking, men verlangde naar verankering en gemeenschapszin. Angst voor de moderniteit was zeker aanwezig. Men poogde aan de rationele en door techniek beheerste wereld te ontsnappen. Er was een afkeer van rationalisme en individualisme, van democratie en parlementarisme. In het licht van de moderniteit werd de roep om een Nieuwe Mens luider. De identiteit van het mens-zijn kwam zowel door de teloorgang van God, als ook door de bedreiging van de steeds sterker wordende machine op losse schroeven te staan. Er waren herhaaldelijk pogingen om de ‘societas’, een gemeenschappelijk opgebouwde samenleving in goede orde te herstellen.” In: Regine Gerber, Epochenimagination zur Auseinandersetzung mit der Gegenwart – Mittelalterinszenierung in Das Glasperlenspiel von Hermann Hesse, Grin-Verlag München, blz. 9. Vergelijk hiermee tevens: Volker Michels, Materialien zu Hermann Hesse ‘Das Glasperlenspiel’, Suhrkamp Verlag Frankfurt am Main, 1997, blz.115.

Excerpt out of 62 pages

Details

Title
Verhalen vertellen. Das Glasperlenspiel als filosofisch werk?
Subtitle
Over de filosofische zeggingskracht van literatuur
College
Erasmus University Rotterdam
Grade
8/10
Author
Year
2015
Pages
62
Catalog Number
V343405
ISBN (eBook)
9783668332003
ISBN (Book)
9783668332010
File size
798 KB
Language
Dutch
Notes
Die Note war eine 8, im deutschen Notensystem ungefähr einer 2 gleichzusetzen.
Tags
Das Glasperlenspiel. Philosophie und Literatur
Quote paper
Ralph Wallenborn (Author), 2015, Verhalen vertellen. Das Glasperlenspiel als filosofisch werk?, Munich, GRIN Verlag, https://www.grin.com/document/343405

Comments

  • No comments yet.
Read the ebook
Title: Verhalen vertellen. Das Glasperlenspiel als filosofisch werk?
ebook
Free Download! (PDF)
Free Download! (ePUB)
Free Download! (MOBI)


Upload papers

Your term paper / thesis:

- Publication as eBook and book
- High royalties for the sales
- Completely free - with ISBN
- It only takes five minutes
- Every paper finds readers

Publish now - it's free